i i _ 1 *

_

♦, 4.

^ «ÉBtj

THE UNIVERSITY

OF ILLINOIS

LIBRARY

SÖO

Ou Zn v.3

1

.9

8I0L0GV

Digitized by the Internet Archive

in 2011 with funding from

University of Illinois Urbana-Champaign

http://www.archive.org/details/neerlandsplanten03oude

NEERLAND'S

PLANTENTUIN.

(III'! fVviij

NEERLAND'S

PLANTENTUIN.

AFBEELDINGEN EN BESCHRIJVINGEN VAN'

S I E R P L A U * L

VOOR TUIN EN KAMER.

OEM.I l»l( \4-l \ 1 %\ H. «. UK ItOM^I.IX

ONDEIi REDACTIE VAX

D'. C. A. J. A. OUDEMANS,

Hoofflwraar in de Planlénkunde aan hel ALhenaewn ïUustre te Amsterdam. EN ONDER VASTE MEDEWERKING VAN DE UEEltEN :

C. GLIJD, bloemist Ie l'lrecbl; J. B. GROEi\EWEGE.\, bloemist Ie Amsterdam; J. II. KRELAGE, bloemist Ie Haarlem, en 11. WITTE, horlulaniis aan 's lamls kruidluin te Leiden.

DERDE DEEL.

GRONINGEN'. J. IJ. WOLÏERS.

1867.

GEDRTTKT BIJ GEBROEDERS noITSEMA TE GRONINGEN.

-

>

V,3

BLADWIJZER.

I. AFGEBEELDE PLANTEN.

PI.

Agapanthus maximus Hort. Belg. ' 40.

Astilbe rivularis Hamilton 41.

Cyclamen Coum Miller 44.

repandum Sibthorp 45.

Epacris in zeven verscheidenheden :

(Albertus , Butterfly , Lord Panmure , Picta , Pieturata ,

Racemosa , Rubella) 47.

Paeonia Moutan Simson , var. lactea von Siebold 50.

triomphe de van der Maelen . . . 54.

Pardanthus chinensis Ker 37.

Pelargonium zonale W. in drie verscheidenheden :

(Mistriss Pollock, Quadricolor, Tricolor) 38.

Pentstemon gentianoides Lindley in vier verscheidenheden :

(Bébé , Jules Bretagne, Ie Cardinal, Sécrétaire Cusin) . . 39.

Pinus excelsa Wallich 42.

Primula sinensis Lindley in vijf verscheidenheden :

(Alba intus lutea , Cupreata , Filicifolia striata , Florc

albo pleno , Flore rubro pleno) 49.

Prunus Puddum Wallich var. floribus niveo-plenis 53.

var. floribus plenis virentibus , medio

purpureis 52.

Prunus Puddum Wallich var. floribus roseis plenis 48.

Prunus subhirtella Miquel 49.

- ;— > '

tó7tt

\

>

BLADWIJZEK.

PI.

Taxus baccata L. var. fastigïata Loudou , .... 43.

Viburnum plieatum Thunb. var. tomentosum Miquel 51.

II. WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

Blz.

Iets over het rotten van vruchten 1.

Nog iets over de roest der granen 4.

Eenige opmerkingen aangaande het aanleggen van bloemperken in tuinen 15.

Een wonderlijk verschijnsel op het gebied van de bevruchting der planten 19.

Terugblik op de voornaamste aanwinsten onzer tuinen en kassen in 1866 27.

Iets over de kleuren der bloemen 41.

Iets over de ranken of klawieren der komkommerachtige planten (Cucurbitaceeën) 55.

Identiteit van Iris spectabilis en Iris Xiphium 56.

Iets over het enten op wortels 57.

De verrichting der staminodia 67.

Iets over het ontstaan van verscheidenheden 68.

Over de door kunst te weeg gebrachte blauwe kleuring van Hor- tensia-bloemen 80.

Over den schadelijken invloed van kwikdampen op den planten- groei en het middel om dien invloed te keeren 94.

Geschiedkundige aanteekeningen omtrent het geslacht Fuchsia . . 106.

Vervolg op genoemde aanteekeningen 120.

Geschiedkundige aanteekeningen omtrent het geslacht Canna . .132.

Ligt het in de bedoeling der natuur dat de bloemen zich zelven of elkander wederkeerig bevruchten? 146.

III. AANGEKONDIGDE BOEKWERKEN.

Blz. Report of Proceedings of the International Exhibition and Botanical

Congress, held in London from May 22nd to May Sist 1866 . 49. Vervolg hierop 58.

BLADWIJZER.

Blz.

Catalogus plantarum quac in Horto botanico Bogoriensi coluntur, auctoribus J. E. Teysmann et S. Binnendijk. Batavia, 1866. . 64.

IV. GEMENGDE BERICHTEN.

Blz.

Korte levensbeschrijving van wijlen Jhr. Ph. F. von Siebold . . 8.

Verplaatsing van een Ceder van den Libanon van 30 jaar ... 14.

Jury voor Pelargonium zonale en inquinans 23.

Programma voor de internationale tentoonstelling van tuinbouw

te Parijs in 1867 35.

A. DE Bart wordt , in plaats van von Schlechtendal (overle- den) , Hoogleeraar in de Plantenkunde aan de Hoogeschool te

Halle ' .... 39.

Dood van Otto Berg , Hoogleeraar in de Pharmacognosie te Berlijn 39.

Invoer van AVellingtonia gigantea 39.

Herbarium van Nederlandsche planten van Oudejians en Knuttel 54.

Ontbinding der Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter aan- moediging van den Tuinbouw 65.

Eerste 14-daagsche bloemententoonstelling te Parijs 72.

Tweede 85.

Derde d" 98.

Vierde d" 118.

Vijfde dn 129.

Zesde d" 130.

Zevende 144.

Dood van Francois Joseph Rigouts Verbert , Hoogleeraar- directeur van den kruidtuin te Antwerpen 79.

Dood van Claas Mulder, oud-Hoogleeraar teFraneker en Groningen 79.

Middel om groote vruchten te erlangen 90.

Middel om meloenen en pompoenen een regelmatigen vorm te geven 90.

Skimmia oblata en S. fragrantissima , synoniemen 91.

Myrmodia tuberosa aan de Linnean Society vertoond 91.

Cattleya pallida , Trianaei , quadricolor, Wagneri en Warszewiczii

geene soorten, doch verscheidenheden 91.

Liquide ampéliatrique van Montreuil en C°. tegen de druivenziekte 92.

Zittingen der Société botanique de France gedurende de interna- tionale tentoonstelling in 1867 te Parijs 92.

Inhoud van aflev. 7—10 van het 16e deel der Flore des Serres. . 92.

BLADWIJZEB.

Blz.

Inhoud van den jaargang 1866 van Morren's Belgique horticole . 93.

Robinia Pseudacacia var. Decaisniana tot haar stamvorm terug- keerend 103.

Verslag over 1866 van het gesticht la Muette te Parijs .... 103.

Saldo der internationale tentoonstelling van tuinbouw te Londen in 1866 , . . 104.

Plan om het Victoria-park te Londen gedeeltelijk te bebouwen . 104.

Aspidistra elatior in den winter van 1866 67 te Luik overgeble- ven in den vollen grond 118.

Internationale tentoonstelling van tuinbouw te St. Petersburg in 1869 119.

Wetboek der botanische nomenclatuur door Alph. de Candolle . 131.

Solanum acanthocarpum aanbevolen voor ondoordringbare hagen . 145.

Toespraak bij gelegenheid der eerste openbare voordracht op 22 Oct. 1867 , in de lokalen der Maatschappij Linnaeus bij Am- sterdam, gehouden door C. A. J. A. Oudemans 153.

J

UNIVERSiTV OF ILLINOIS

PARDANTHUS SINENSIS KER.

Groningen, JB.Wolters

I. BESCHRIJVINGEN VAN AFGEBEELDE PLANTEN.

PARDANTHUS CHINENSIS kf.r.

Pardanthus chinensis behoort tot de zelfde familie als de vroeger door ons afgebeelde en beschreven Irissen , en dus tot de Irideeën. Deze gewassen onderscheiden zich van an- dere verwante groepen uit de groote afdeeling der Monoco- tylen of Eénzaadlobbigen , doordien zij slechts drie meeldraden hebben en hun eierstok , en das ook later hunne vrucht , onder de bloemdeelen gezeten is. Deze laatsten bestaan uit een fraai gekleurd bloemdek , dat in zes slippen verdeeld is , en nu eens een regelmatigen , dan eens een symmetrieken vorm heeft.

Bij het geslacht Pardanthus (dat woordelijk vertaald » Tij- gerbloem" beteekent, en wel naar aanleiding van het gevlekte voorkomen der bloemen) zijn alle zes de bloemslippen aan elkander gelijk , en dus niet , zooals bij de Irissen , in drie grootere , naar buiten gekrulde , en drie kleinere rechtop staande verdeeld. Ook vinden wij bij de Pardanthussen de meeldraden naar ééne zijde gekeerd, en niet op grootere af- standen van elkander verwijderd , zooals bij de Irissen.

Pardanthus chinensis leeft in zanderige streken van China, Japan en Indië , en overwintert met een vleezigeu wortelstok. Zij heeft zwaardvormige bladen en een tot 2 a 5 voet hoog opschietenden , bebladerden , heen- en weêrgebogen en vorks-

PARDANTHUS CHINENSIS.

wijs getakten stengel. Hare bloemen , die gesteeld zijn , vormen eene vorkswijs vertakte pluim en zijn saffraangeel van kleur met bloedroode vlekken.

Ofschoon . Pardanthns chinensis reeds sedert lang in de tuinen bekend is , hebben wij toeh niet geaarzeld , nog eens de aandacht op haar te vestigen , omdat zij werkelijk als sierplant zeer goed voldoen kan , en ook bij ons des zomers buiten kan worden uitgeplant. Hare bloemen zijn wel niet zoo groot als die der Gladiolussen , die ook tot de Irideeën behooren , maar daar staat tegenover , dat de Pardanthussen ook weder een losser voorkomen hebben.

De naam onzer plant werd haar gegeven door den En- gelschman John Bellenden Ker , van wien wij eene Mono- graphie der Irideeën bezitten, in 1827 te Brussel uitgekomen bij de Mat ; eene monographie , die tot op heden door geen'e andere is opgevolgd. Wij leeren uit het artikel , aan Par- danthns chinensis gewijd, dat dit gewas in Rheede's Hortus nialabaricus den naam draagt van Belamcanda Schurhrmani , en dat al verder de namen van Ixia chinensis , Moraea chi- nensis en Belamcanda chinensis , allen op de zelfde plant be- trekking hebben , en dus als synoniemen van den door ons gebezigden naam behooren aangemerkt te worden.

Pardanthns chinensis begint bij ons in Juni te bloeien , en wordt ook wel met den naam van » Tijger-Iris " begroet.

O.

Tot voor korten tijd heeft men het rotten van vruchten voornamelijk , zoo niet geheel , toegeschreven aan een schei- kundig proces, dat op eene vernietiging van het weefsel dei- overrijpe vruchten uitloopen, en door atmospherische invloe- den zou worden ingeleid. Let men echter op deze twee omstandigheden: 1°. dat vruchten, die zorgvuldig bewaard worden , zeer dikwerf wel opdroogen , maar niet wegrotten , en 2D. dat ook onrijpe vruchten niet zelden door rotting worden aangetast , dan is het niet te verwonderen , dat er personen geweest zijn, die, de gewone denkbeelden aangaande het rottingsproces bij vruchten niet kunnende goedkeuren , naar eene andere verklaring van het feit in quaestie gezocht hebben.

Tot die personen behoort ook Davaine ; en de uitkomsten , welke bij wereldkundig maakte, wenschen wij onzen Lezers in korte trekken mede te deelen.

Wij moeten er echter in de eerste plaats op aandringen , dat men het rotten der vruchten niet verwissele met die veranderingen , welke soms door drukken of stooten , door te veel warmte of te veel koude in deze laatsten worden te weeg gebracht ; veranderingen , die zich èf door de vorming van kurkweefsel, zooals meest bij appelen, óf, waar warmte of vrieskoude in het spel komen , in het weeker worden van het weefsel openbaren , maar zonder dat de producten eener rottende gisting daarbij door ons , hetzij door den smaak , hetzij door den reuk of op andere wijze worden waargenomen.

IETS OVER HET ROTTEN VAN VRUCHTEN.

Volgens Davaine dan , berust de ware rotting' van vruch- ten op het bezoek van de eene of andere schimmelplant , en vindt men de moedervlokken of worteldraden daarvan dan ook wijd en zijd in het papachtige ontkleurde weefsel dier vruchten verspreid. De snelle voortwoekering dier draden heeft eene even snelle uitbreiding van het eenmaal teweeg gebrachte kwaad ten gevolge; ja, wat meer zegt, de waarneming, dat eene rottende vrucht anderen in hare , zelfs niet geheel onmiddellijke , nabijheid kan aansteken , laat zich gereedelijk. daaruit verklaren , dat de kiemkorrels of sporen eener schim- mel , welke zich op zulk eene vrucht genesteld heeft , in de rondte verspreid worden , en op nieuws ontkiemen , zoodra zij slechts voor hare ontwikkeling een geschikten bodem aantreffen.

Bij onze meest gewone vruchten (appelen , peren , mispe- len , druiven , aalbessen , aardbeziën , kersen) wordt de rotting veelal door twee zeer algemeene schimmelsoorten teweeg gebracht, waarvan de eene, Mncor Mnceclo , eenzwarten, en de andere , Penicilliiim glaucum , een groenen aanslag veroor- zaakt. Op druiven ontwikkelt zich zeer dikwerf het witte Oidium fructigennm.

Zullen echter deze schimmels hare verwoestende werking .op de eene of andere vrucht uitoefenen , dan is bet noodig dat er eene opening , een sleufje , eene kwetsuur , hoe ge- ring ook , aanwezig zij en het inwendige der vrucht voor de kiemkorrels der schimmelplant toegankelijk stelle. Eene volkomen onbeleedigde oppervlakte toch laat de kieming dier korrels niet toe , en geheel hiermede in overeenstemming is de waarneming, dat eene vrucht des te zekerder voor rotting beveiligd- is , naarmate zij door eene dikker en steviger schil is ingesloten. Ent men eene volkomen gezonde vrucht met schimmelsporen in , dan begint de rotting reeds 24 a 30

IETS OVER HET ROTTEN VAN VRUCHTEN.

uur na de proef een aanvang te nemen , en ziet men binnen 4 of 5 dagen de geheele vrucht daardoor aangetast.

J/ucor Mncedo verwoest sneller dan Penicillinm glancnm; ook kiemen de sporen van gene binnen 5 6, die der laatste niet binnen de 12 15 uur. Rotte plekken, door de eerste der genoemde schimmels teweeg gebracht, zijn donkerder en weeker dan die , welke door het bezoek der tweede worden veroorzaakt ; waarbij nog komt , dat Mucor Mncedo tot de ontwikkeling van koolzuur aanleiding geeft, waardoor de vruchten zich opgeblazen voordoen iets , wat van Peni- cillinm ffhmcum volstrekt niet gezegd kan worden.

Het voortbrengen van nieuwe kiemkorrels of sporen heeft bij beide schimmels alleen plaats in de lucht, niet in het weefsel der vruchten zelven , en men ziet , bij vruchten met eene harde schil , de bloeiende of vruchtdragende draden of takjes der schimmel dan ook slechts op enkele plaatsen te voorschijn komen , en wel bepaaldelijk daar , waar die schil eene kwetsuur heeft bekomen j terwijl men het aantal dier bloeiende plekken naar willekeur kan vermeerderen , door nieuwe beleedigingen van de schil aan de reeds bestaande toe te voegen.

Vruchten, welke met een open kelk gekroond zijn, zoo- als appelen , peren en mispelen , rotten soms weg- , niette- genstaande hare schil volkomen gaaf is , doch hierover kan men zich niet verwonderen , daar in den bodem van het kelkgroefje veelal kleine spleten voorkomen , die ten opzichte van de schimmelsporen, welke in de lucht zweven , de zelfde rol vervullen als beleedigingen der schil. Het is dan ook niet kwaad, integendeel zeer raadzaam, om, wanneer men geheel ongeschonden appelen of peren lang bewaren wil , ook hun vruchtkelk met was toe te stoppen. O.

NOG IETS OVER DE ROEST DER GRANEN.

In den eersten jaargang- van dit Tijdschrift wijdden wij (blz. 139) eenige bladzijden aan de roest der granen en van den Peer, en deden wij o. a. uitkomen, dat er veel waar- schijnlijkheid voor bestond , dat de aanwezigheid van Berbe- rissen verderfelijk kon wezen voor graanvelden , omdat het de Bary proefondervindelijk gebleken was, dat men een ze- keren champignon , die zich nu en dan op Berberis-bladen laat zien (Aecidium Berberidis) naar willekeur te voorschijn kan brengen , door die bladen met de kiemkorrels van een anderen champignon , die op de bladen van granen nestelt [Puccinia graminis) in te enten; en het dus ook denkbaar was , dat de champignon van den Berberis , omgekeerd , aanstekelijk op de bladen der granen zou kuDnen werken.

In den tijd toen wij dat opstel schreven , waren de inen- tingsproeven , met de kiemkorrels van Aecidium Berberidis op de bladen van een paar granen genomen , nog met geen gunstigen uitslag bekroond geworden ; thans echter is zulks wel het geval geweest , en kunnen wij mededeel en , dat Rogge-bladen , met de bedoelde korrels ingeënt , aan de Bary inderdaad volkomen goed ontwikkelde Puccinia grami- nis hebben opgeleverd. Het is hiermede bewezen , dat de Berberis schadelijk kan wezen voor het graan.

Latere onderzoekingen van de Bary hebben ook nog tot andere , zeer opmerkelijke uitkomsten gevoerd. Wat daar- van op de granen betrekking heeft , wenschen wij met een enkel woord mede te deelen.

Behalve die soort van roest , die men gewoon is Puciinia

graminis (streep-Roest) te noemen , en die alle granen aan-

\

NOG IETS OVER DE ROEST DER GRANEN.

doet, met uitzondering van de Maïs en de Gierst, kent men er nog twee anderen : Puccinia straminis (vlekken-Roest) en P. coronata (kroon-Roest) , waarvan gene ook op alle granen , voornamelijk op de Tarwe, laatstgenoemde voornamelijk op de Haver en liet Raygras [Lol'mm per enne) voorkomt. Om- trent deze soorten nu geldt volkomen liet zelfde als van P. graminis , nl. dat zij, gedurende haar leven, zich onder drie geheel verschillende toestanden voordoen , waarvan er twee zich, achtereenvolgens, op een en het zelfde individu der zelfde graanplant vertoonen , terwijl de derde aan een ander gewas gebonden is , 't welk noch met die plant , noch met de geheele familie der Gramineeën eenige verwantschap heeft. Dewijl de twee toestanden , welke de bedoelde cham- pignons op de graanplanten zelven doorloopen (d. w. z. de Uredo- en de Puccinia-toest&ni) als de beide volmaaktere uit de drietallige reeks beschouwd worden, zoo spreekt het wel van zelf, dat de vraag: op welke plant de minst volmaakte zich dan wel vertoonen zou , daarom van des te meer belang geacht kan worden , omdat men , deze kennend , het natuur- lijk in zijne macht zoude hebben , haar van de graanvelden verwijderd te houden , en zoo doende althans het ontstaan eener nieuwe generatie van den zelfden champignon, en daar- mede ook het wederverschijnen zijner volmaakter toestanden op de granen , eenigszins zou kunnen voorkomen, de Bary nu is al weder degeen geweest, die, wat er nog twijfelachtig was in den ontwikkelings-cyclus van Puccinia straminis en coronata volkomen heeft opgehelderd , zooals hij zulks vroeger ook voor P. graminis had gedaan.

De zaak komt hierop neder : dat het tijdperk van ont- wikkeling van Puccinia graminis (de Aecidium-toestani , on- der de Mycologen bekend als Aecidium Asperifolii P.) door- loopen wordt op sommige Boraginaceeën , zooals Anchusa

NOS IETS OVER DE HOEST DER GRANEN.

ojficinalis en Lyc'opsis arvensis ; dat van P. coronata daaren- tegen (onder de Mycologen bekend als Aecidmm Rhamni) op Rhamuus cathartica en Rh. Frangnla , waaruit dan al weder zou voortvloeien , dat ook Rhamnus- of Wegedoorn-planten , en verder ook onze wilde Boraginaceeën , van den akker zoo- veel mogelijk geweerd of op een zoo groot mogelijken afstand daarvan gehouden moeten worden.

Het is de Bary tot op heden gelukt , Aecidium Asperifolii te voorschijn te brengen op de bladen van Anchusa ojficinalis en Lycopsis arvensis , door deze in te enten met de sporen van Puccinia straminis ; en even zoo om Aecidmm Rhamni te doen ontstaan op de bladen van Rhamnus cathartica en Rh. Frangula, door deze in te enten met de sporen van Puccinia coronata. Eveneens zag hij op de Tarwebladen eerst eene Uredo en kort daarop Puccinia straminis ontstaan , als hij , de zooeven eerst vermelde proef omkeerend , de Tarwe- bladen met de sporen van Aecidium Asperifolii besmette. De inenting van Eogge- en Tarwebladen met de sporen van' Aecidium Rhamni , heeft nog tot geene voldoende uitkomst gevoerd.

Het volgende tabelletje geeft een kort overzicht van het- geen wij hierboven hebben meegedeeld :

f~

NOG IETS OVER DE ROEST DER GRANEN.

TIJDPER- KEN VAN ONTWIK- KELING.

1'1'ijdp.

2' d'i

:i' d".

SOORTEN VAN ROEST.

STUEEr-RoEST. [Puccinia graminis.)

VLEKKEN-ROEST.

(Pucci?iia straminis.)

A. Aecidium Ber- ber idis, levend op de bladen van Berberis rulgaris.

B. Uredo linearis , levend op de bladen der granen.

C. Puccinia grami- nis , levend op de zelfde bladen , -waar- op de U. linearis zich vertoonde.

A. Aecidium Aspe- rifolii, levend op de bladen van Anchusa ojficinalis en Lycop- sis arvensis.

B. Uredo Rubigo vera , levend op de bladen der granen , vooral van de Tarwe.

C. Face. straminis , levend op het stroo der planten , wier bladen door U. Ru- bigo vera waren aan- getast.

KROON-ROEST. {Puccinia coronata.)

A. Aecidium Rham- ni , levend op de bla- den van Rhamnus cathartica en Rh. Frangula.

B. Uredo linearis N°. 2 , levend op de bladen der granen vooral van Haver en

Raygras.

C. Puccinia corona- ta , levend op de zelfde bladen, waarop de U. linearis N'. 2 zich vertoonde.

A brengt B , B brengt C en C weder A voort. Opmer- kelijk ecbter is bet, dat B ook zich zelve door bare sporen voort kan planten , en zoo doende tot een nieuw ontstaan van C kan medewerken. Stellen wij ons dus de mogelijk- heid voor , dat op eenmaal alle Berberis- , Anchusa- , Lycop- sis- en i?A«»wm,?-planten van onze Aarde konden worden weggenomen , dan zou er zeker veel tegen de verspreiding van de roest onder de granen gewonnen zijn , maar toch nog niet alles. Vooral zou eene algeheele uitroeiing der bedoelde ziekte bezwaarlijk te bereiken zijn bij Puccinia straminis , omdat de moedervlokken van Uredo Rubigo vera door de winterkoude in de overblijvende grasplantjes, die door deze ziekte bezocht werden , niet te niet gaan , maar

NOG IETS OVER DE ROEST DER GRANEN.

voort blijven leven , zoodat zij , zonder bemiddeling van Aeci- dium Asperifolii , terstond weder, in het volgend voorjaar, nieuwe Uredo- en dus ook latef Ac«'«M-puistjes aan de oppervlakte der jonge blaadjes kunnen voortbrengen.

O.

III. GEMENGDE BERICHTEN.

KORTE LEVENSBESCHRIJVING VAN JHR. PHILIPP FRANZ VON SIEBOLD.

In » de Nederlandsche Spectator" van 10 November komt eene korte levensbeschrijving van den onlangs ontslapen rei- ziger von Siebold voor , die wij hier te eerder overnemen , daar de tuinbouw , zoowel van Nederland als van andere Europescbe staten , zeer veel aan von Siebold verschuldigd is. Daar echter- in die levensbeschrijving de verdiensten van den ontslapene op tuinbouwkundig gebied geheel op den achtergrond zijn geschoven , zoo hebben wij er ons op toegelegd , wat in dit opzicht aan het opstel ontbrak , aan te vullen. Wij kunnen voor de juistheid onzer gegevens in- staan , en gelooven dus dat zij niet zonder belangstelling door onze Lezers zullen worden vernomen.

In » de Nederlandsche Spectator" dan lezen wij: » Jhr. Philipp Franz von Siebold is , blijkens de mede- deelingen uit Müucheu, op den 18en October aldaar over- leden. Deze geleerde , die zijn naam wereldberoemd heelt

GEMEKGDE BERICHTEN.

gemaakt en daardoor zoowel zijn eigenlijk als zijn aangeno- men vaderland tot eer verstrekt , was den 17en Februarij 17% te Würzburg geboren uit een geslacht, 't welk voor de uitoefening der geneeskunde en aanverwante vakken zeer vele bekwame leden beeft opgeleverd en blijft opleveren ; eene dochter toch van hem , die het onderwerp uitmaakt van deze regelen, is thans arts en obstetrix [vroedvrouw] van naam in Japan. Von Siebold ontving te Würzburg eene uitmuntende opleiding en verwierf er zich den döctoralen graad in 1820.

Twee jaren later vertrok hij , als zoo velen zijner landge- nooten voor en na hem gedaan hebben , als officier van gezondheid in Nederlandsche dienst naar Java, en toen het Nederlandsch bestuur eene wetenschappelijke zending naar Japan orgamzeerde , werd von Siebold daaraan verbonden als geneesheer en natuurkundige.

Als elk vreemdeling , moest hij zijne onderzoekingen voor- eerst beperken tot den onmiddellijken omtrek van Desima ; weldra echter verwierf hij zich meerdere vrijheid van bewe- ging, en wel ten gevolge van den gunstigen roep, die van hem als geleerde uitging. Japansche natuuronderzoekers en zelfs geneesheeren des keizers kwamen tot hem om zijn on- derwijs te vernemen. In ruil daartegen verschaften zij hem de opmerkelijkste en meest geloofwaardige inlichtingen aan- gaande den staatkundigen , geschied- en aardrijkskundigen toestand van Japan, 't welk toenmaals nog, door zijne vrij- willige afsluiting , zoo wenig bekend was.

In 1826 g-elukte het von Siebold zelfs , in het gevolg- van den Nederlandscheu vertegenwoordiger , tot het hof van Jeddo door te dringen. Aangevuurd door zijn wetenschap- pelijk streven , gingen zijne leerlingen voort met bijna alle landschappen van Japan voor hem te onderzoeken , en de

o

GEMENGDE BERICHTEN.

uitkomsten vaii hunne nasporingen werden steeds zorgvuldig aan den meester medegedeeld , die ze later tot een belangrijk geheel verwerkte. Nog in 1828 , op het punt staande om naar Java terug te keeren , werd de overgroote ijver van een zijner vrienden , den keizerlijken sterrekundige en biblio- thecaris, hem bijna noodlottig. Deze had hem een pas ont- worpen kaart van het rijk bezorgd , en om die reden werd von Siebold zelf, die zijn vriend redde, door de schuld op zich te nemen , in hechtenis genomen tot op 't oogenblik waarin hij zich naar Europa inscheepte, waar zijne verza- melingen hem vooruit gegaan waren. Den 70n Julij 1830 kwam hij hier terug, en ofschoon hij den titel vaD kolonel der generale staf van ons leger behield, verliet hij de Ne- derlandsche dienst , en hield zich hoofdzakelijk bezig hetzij met het ordenen en bewerken van den rijkdom van wetens- waardige bijzonderheden , door hem in Japan opgeteekend of bijeengebracht , terwijl zijne prachtige verzameling" van voor- werpen , tot de ethnographie van Japan behoorende , in rijks- eigendom overging , en nu onlangs , beter geordend , in het rijks ethnographi sch-museum te Leiden voor het publiek is toegankelijk g-emaakt.

't Is hier de plaats om de opgave der reeks van belang- rijke werken te laten volgen , welke door von Siebold , alleen of in vereeniging met vakgeleerden , achtereenvolgens zijn in 't licht gegeven ; behalve de opstellen , in de verhande- lingen van 't Bataviaasch genootschap opgenomen , zijn zij :

Nippon , Archiv zur Besclireïbung von Japan und dessen Neben- und Schutddndem , Leyden en Leipzig, 1832 1851 , in folio. Dit werk , 't welk nog niet geheel voltooid is , maakte door zijn buitengewonen rijkdom van inhoud terecht een groot opzien in de geleerde wereld. Daaraan sloot zich aan , onder medewerking van C. J. Temminck en H. Schlegel,

GEMENGDE BERICHTEN.

wat de gewervelde , en W. de Haan , wat de ongewervelde diereu betreft, zijne Fauna japonica, Lugd. Bat., 1833 1851, in folio, en de Flora japonica , door Zuccarini be- werkt , welke ook gedeeltelijk is opgenomen geweest in de » Abbandlungen der 2e" Classe der Königl. Akademie der Wissenschaften" III en IV, te München.

Verder eene groep werken door den Chinees Ko Tsching Dscheng te Leiden op steen geteekend, nl. : Mille litterae ideographicae (1833); Novus et anctus literarum ideographi- carum thesaurus (1834); Thesaurus lingnae japonicae (1835 1841). Hiertoe behooren ook : Isagoge in bibliothecam ja- ponicam etc. (1841) en Catalogus librorum et manuscriptor urn japonicorum , annexa enumeratione illorum quae in Museo regio hagano servantur. Libros descripsit J. Hoffmann (1845), alle te Leiden uitgekomen, evenals zijne Erwiede- rung auf W. H. de Vriese's Abhandlung : Botan. Oorsprong van den Ster-anijs des handels. Mit Bezug auf die vou J. Hoffmann mitgetheilten Angaben chines. u. japan. Natur- gesch ich ten (1837).

Aan Mellvill van Carnbee's JlJouiteur des Indes orien- tales et occidentales , La Haye , 1847 1849, 3 deelen in 4°, leende von Siebold alleen zijn naam.

Omstreeks 1854 vestigde hij zich aan den Rijn, nabij Bonn ; maar de toenmaals ouder de Europesche volken steeds grooter wordende belangstelling in de voordeelen , welke de koophandel met Japan kon afwerpen , noopten hem de pen weder op te nemen, ten einde de vreemde vlooten ten weg- wijzer te dienen. Hij deed zulks met een geschrift , getiteld : Urkundliche Darstellung der Bestrebungen von Niederland und Russland zur Eröjfnung Japaris filr die Schijfahrt und den Seehandel aller Nationen (Bonn, 1854, met kaart), 't welk ten zelfden jare te Z. Bommel bij Noman in 't Hollandsch

\~

GEMENGDE BERICH TEN .

verscheen. Later vertrok hij ten tweeden male naar Japan. In den veranderden stand der zaken , kon hij natuurlijk daar te lande niet meer dat helang inboezemen , als hem bij zijn eerste bezoek ten deel gevallen was. Met eene nieuwe ver- zameling" van voorwerpen , tot de Japansche land- en volken- kunde betrekkelijk , keerde hij naar Europa , ook naar Neder- land , terug ; poogde te vergeefs het gouvernement over te halen , de tweede verzameling bij de eerste te voegen , en reisde daarop eenigen tijd rond om daarmede , hetzij het Würzburgsche , hetzij eenig- ander Duitsch Museum te ver- rijken ; eindelijk mogt hem dit gelukken. De koning van Beijeren heeft nl. het geheel aangekocht voor het Museum te München , welke aankoop echter door de kamers op het aanstaande budget moet worden goedgekeurd. Bij het voor- loopig opstellen en ordenen van die verzameling overviel hem de dood door bloedvergiftiging.

Nog ten vorigen jare zijn eene reeks artikelen over Japan van zijne hand in de Augs*burger Allgemeine Zeitwig open- baar gemaakt.

Omstreeks 1850 heeft von Siebold zich veel moeite g-e- geven om de horticultuur in Europa te verbeteren, en nieuwe planten , vooral uit Azië , in te voeren. Zijne plannen , ook voor den aanleg van tuinen, hadden toenmaals al den schijn of niet de wetenschap .alleen den spoorslag was voor de be- moeiingen van den geleerde ; waarschijnlijk is hem deze onderneming weinig of niet gelukt, zoo als in den regel hem alles tegenliep , wat niet uitsluitend de wetenschap tot onderwerp had."

Tot zoover de Spectator.

De verdiensten van von Siebold op tuinbouwkundig ge- bied bestonden voornamelijk daarin , dat hij in de nabijheid van Leiden, onder de gemeente Leiderdorp, een tuin aan-

GEMENGDE BERICHTEN.

legde om Japansche en Chiuesche planten , rechtstreeks uit haar vaderland ontvangen , te vermenigvuldigen en dan in den handel te brengen. Deze tuin , doorgaans » Jardin d'acclimatation du Japan et de la Chine" geheeten, beslaat eene ruimte van 1^ bunder en werd in 1843 tot kweekerij ingericht. Sedert genoemd jaartal tot op heden , werden door von Siebold, of althans door diens zorg- en tusschen- komst, in dien tuin ingevoerd:

25 soorten of verscheidenheden van Eschdoornen (Acer) , waar- van nog slechts 3 in den handel kwamen ;

4 d°. van Aralia; 20 dn. van Atccuba, Avaaronder ook met mannelijke bloe- men ;

4 d°. van Bambusa ;

4 dn. van Cerasus (nog niet in den handel);

4 dn. van Citrits (nog niet in den handel) ; 12 d°. van Clematis;

6 d°. van Deutzia; 12 d°. van Dier villa: 12 dn. van Weigelia; 15 d°. van Evonymus ;

12 d°. van Hyclrangea (waarvan 6 nog niet in den handel) ;

6 d°. van Malus ;

6 d°. van Osmanthus :

4 dn. van Persica;

8 d°. van Pirus ; 12 d°. van Qitercus (met altijd groen blad);

2 dn. van Spiraea;

6 d°. van Viburnum ;

4 dn. van Ghjcive siiiensis.

t

^

GEMENGDE BERICHTEN.

Behalve deze gewassen , vindt men in von Siebold's tuin nog uitgelezen verzamelingen van Japansche of Chinesche Coniferen , boom-Pioenen , Leliën , Camellia's en tal van planten met bont blad.

Ten opzichte van een en ander verwijzen wij naar den Catalogne raisonné et Prix-courant des plantes et graines du Japon et de la Chine , waarvan wij den jaargang* 1 863 op dit oos'enblik voor ons hebben.

Wij kunnen nog mededeelen , dat de acclimatatie-tuin van von Siebold niet zal worden opgeheven , maar , evenals vroeger , aan zijne bestemming zal trachten te blijven beant- woorden. O.

Te Toulouse heeft de tuinbouwer Demouilles onlangs een Ceder van den Libanon van 30 jaar, die eene hoogte had van meter , en waarvan de stam , 1 meter boven den grond , 90 centimeters in omtrek aanwees , overgeplant van den tuin Massalet naar dien van den maarschalk Niel , 2529 meters van den eersten verwijderd. De kluit, die uitgegra- ven werd, mat 4,20 meters in middellijn, was 1,30 meters boog, en woog, met de plant, 35,000 40,000 kilo's. De werkzaamheden vingen aan op den 5en Maart dezes jaars, en reeds 13 dagen later was de boom, met behulp van 8 man, uitgegraven. Er waren 17 dagen noodig- om hem de plaats zijner bestemming te doen bereiken , terwijl de ge- maakte onkosten , na aftrek van de som , die de gebruikte materialen opbrachten , toen het werk verricht was , juist 1000 francs beliepen. De boom heeft niets geleden. Nadere inlichtingen nopens de gebruikte toestellen vindt men in de Revue horticole 186G, p. 409.

UKIVEKSlïY OF iLUNOIS

, ;. -

tf

Groninéen T E Y/oker

1. 0UADRICOL0R (A.Verschaffelt .) 2. TRICOLOR (C'pousse.) 3. MIST Rl SS POLLOCK { E.G.Henderson & Son)~M i

Chromoliih. v. Emnk * ]

PELARGOInIUM ZONALE w.

(iN DRIE VERSCHEIDENHEDEN MET BONTE BLADEN.)

Pelargoninm zonale en inquinans zijn twee soorten , die eene menigte verscheidenheden hebben opgeleverd, te samen gewoonlijk door den naam van » Scarlet-Pelargoniums" aan- geduid. Zij hebben vleezige stengels en takken ; naar het cirkelronde overhellende , niet meer dan zeer oppervlakkig ingesneden of gelobde bladen , en dicht gevulde , lang ge- steelde bloemschermen. De kleur der bloemen was bij de hier boven genoemde stamsoorten scharlaken; doch onder de menigte variëteiten , welke deze in den loop der jaren hebben voortgebracht, treft men er tegenwoordig' ook met vleeschkleu- rige , rozeroode en witte bloemen aan , om niet te spreken van de schakeeringen , welke tusschen deze kleuren voor den dag1 zijn gekomen.

De bloemen der Scarlet-Pelargoniums zijn regelmatiger van bouw dan die der grootbloemige en Odier-Pelargoniums ; wat echter niet belet , dat hare twee bovenste bloembladen smal- ler zijn dan de drie onderste.

Opmerkenswaardig is, voor al wat van Pelargonium, zonale afkomstig- is , de donkere kring , die , op eenigen afstand van den omtrek , aan de oppervlakte der bladen wordt waar- genomen. Oorspronkelijk was de kleur van dien kring bruin, doch , dat ook daarin verandering is te weeg gebracht , be- wijst de verscheidenheid Miss Pollock want bij deze is dat bruin door kerserood vervangen. Voegt men hier nu bij , wat trouwens uit onze afbeelding van laatstgenoemde plant

i

PEI.AIfGONIUM ZONALE.

5

c

I

zeer g-oed te zien is , dat ook een deel van het oorspronke- lijk groen der bladen niet zelden voor geel heeft plaats gemaakt , dan is het duidelijk , dat de Scarlet-Pelargoniums ons een voorbeeld opleveren van siergewassen , bij welke de bloemen en bladen den invloed der kultuur te g-elijker tijd ondervonden hebben , en wel op zulk eene wijze , dat de veranderingen, in elk dier organen te weeg gebracht, de waarde dier planten , uit een tuinbouwkundig oogpunt , ge- lijkelijk vermochten te doen rijzen.

Het zijn vooral de Engelscben , die zich met veel vrucht op de vermenigvuldiging der verscheidenheden onder de Scarlet-Pelargoniums hebben toegelegd. Zoo ook werd Mis- triss Pollock, eene dergenen, welke in den laatsten tijd het meest furore gemaakt hebben , in het établissement van de Heeren E. G. Henderson and Son voortgebracht. Volgens den Heer Golin Buschon (Gardeners Magazine, 1866) laat deze plant zich niet door deeling van den wortel vermenig- vuldigen , zonder daarbij den schoonen kerserooden kring barer bladen te verliezen , en hieruit leidt de Heer Sisley af [Revue horticole , 1866, p. 429), dat zij niet, zooals de Engelscben zulks hebben willen doen voorkomen , uit zaad gewonnen werd , maar haar ontstaan aan een onbekend toe- val te danken had. De waarschuwing van den laatsten aan

de kweekers , jreene moeite te doen om door het winnen van

\ .

zaad te trachten , nieuwe kleurspelingen in de bladen van

Mistriss Pollock voort te brengen , werd echter door bevoegde personen voor overdreven verklaard.

Onze plaat werd vervaardigd naar modellen uit de kwee- kerij des Heeren C. Glijm te Utrecht. In perken maken alle drie de verscheidenheden (1. Quadricohr [A. Verschaffelt]; 2. Tricolor [Crousse] ; 3. Mistriss Po/loc//) eene uitmun- tende uitwerking. O.

ÜWV ILLINOIS

l-ll.J.li rt'lJllTS

Cliromolill

PENTS1 EMON.

\ iti liali

2. •IiiU'S Biflajiii'.

i Kunilallcr.)

... Hébé. 4. Secrétaire Cusin. i l.i'inoim' ) ( Lemoiiu I

PENÏSTEMON GENTIANOIDES lott,.

(in vier verscheidenheden.)

De Pentstemons zijn planten uit de familie der Scroplm- lariaceeën, en afkomstig uit Noord-Amerika. Zij zijn öf heester- öf kruidachtig- , doch overwinteren in het laatste geval met een wortelstok. De vertakte stengel draagt dik- werf, en zoo ook bij de hiernevens afgebeelde verscheiden- heden , vrij lange smalle bladen , en loopt dan naar boven uit in eene rijke bloempluim.

De bloemen zelven zijn trechter- of klokvormig, ook wel eens tusscheu beiden in , en hebben een vijfdeeligen kelk ; eene tweelippige kroon , waarvan de bovenlip in twee , de onderlip in drie korte breede slippen verdeeld is ; vier meel- draden , waarvan twee langer dan de beide anderen , doch allen op de kroon ingeplant ; eindelijk een tweehokkigen eierstok , door een langen , in een knopvormigen stempel uitloopenden , stijl gekroond. De vrucht der Pentstemons is eene veelzadige doosvrucht.

Hij , die deze onze beschrijving met eene levende bloem mocht vergeleken hebben , zou haar misschien niet geheel volledig achten , of althans gaarne wenschen te worden in- gelicht aangaande een met borstels bezet steeltje , dat men hier immer in den krans van meeldraden aantreft , en dat

juist aan dezen onvruchtbaren meeldraad, dat het geslacht

in die bloemen , welke met hare opening naar den toeschou- wer gekeerd zijn , ook op onze plaat duidelijk is waar te uemen. Wij willen dan ook aan dat verlangen te gemoet komen door te verklaren, dat dat steeltje voor een vijfden, doch onvruchtbaren meeldraad gehouden wordt , d. w. z. voor een meeldraad , die geen stuifmeel bevat of afzondert , en dan ook voor de bevruchting van a-eene waarde is. Het is

J

-■

PENTSTEMON GENTIANOIDES.

Pentstemon zijn naam verschuldigd is; want dit woord is van twee anderen van Griekschen oorsprong , nl. penta (vijf) en stèmoon (draad) afkomstig , alsof men had willen te kennen geven , dat hij de planten , welke wij thans bespreken , als uitzondering op de samenstelling der bloemen bij de Scrophu- lariaceeën in 't algemeen , een 5rte , zij het dan ook looze meeldraad werd aangetroffen.

Ofschoon de Pentstemons veel in op zich zelven staande exemplaren gekweekt worden, kunnen zij toch ook zeer tot het vormen van perken worden aanbevolen , omdat zij den ge- heelen zomer doorbloeien. Zij kunnen het in den vollen grond, bij zachte winters, wel uithouden, maar worden toch, omdat te veel vocht , bij eene lage temperatuur , haar be- paaldelijk schaadt . tegen den winter veelal naar eene vorst- vrije plaats overgebracht. Hardere verscheidenheden , die zulke zorgen ontbeeren kunnen , moeten 's winters slechts matig bedekt worden , omdat zij anders gaan rotten.

Men vermenigvuldigt de Pentstemons door stekken of zaad. Dit laatste moet op eene matig warme plaats in potten uit- gestrooid en goed vochtig gehouden worden. Het stekken geschiedt vroeg in 't voorjaar , op een warmen bak of eene runkrib.

Afgebeeld zijn op onze plaat 39 :

1. Le Cardinal (Richalet).

2. Jules Bretagne (Rendatler).

3. Bébè (Lemoine).

4. Sécrétaire Cusin (Lemoine).

Van de afkomst dezer verscheidenheden , allen geteekend in de kweekerij des Heeren C. Gi-ijm te Utrecht , zijn wij alleen te weten kunnen komen , dat zij door kruising uit Pentstemon gentianoides zijn voortgekomen. O.

EENIGE OPMERKINGEN AANGAANDE HET AANLEGGEN VAN BLOEMPERKEN

IN TUINEN.

Sedert eenige jaren is men begonnen, bij bet aanleggen van bloemperken in tuinen , eene taktiek te volgen , die uit een aestbetiscb oogpunt wel wat te wenschen overlaat, en dan ook door bevoegde beoordeelaren en mannen van smaak is veroordeeld geworden. Wij bedoelen bet gebruik van eene en »de zelfde soort of verscheidenheid van plant voor het zelfde bloemperk , zoodat dit laatste , ten tijde dat alles in

bloei staat, eene zelfde kleur vertoont; en verder, het ge- bruik van drie of vier soorten of verscheidenheden , met bloemen van verschillende kleuren , maar zoodanig gerang- schikt , dat zij regelmatige kringen vormen , waarvan de een den anderen omgeeft. Zulke perken lijden aan eene eentoo- nigheid , die vermoeit ; zij geven in één oogopslag alles te zien ; wekken de nieuwsgierigheid niet op en trekken de aandacht des wandelaars dan ook slechts gedurende eenige weinige oogenblikken.

Om aan dit gebrek in den aanleg van tuinen te gemoet te komen of daarin eenige verandering te brengen , heeft men in den laatsten tijd de aandacht der liefhebbers vooral gevestigd op bontbladige gewassen maar zo'nder blijkbaar gevolg. Want in plaats van deze onder andere planten in de perken te verspreiden , bleef men de zelfde handelwijze van vroeger volgen , en vergenoegde men zich , geheele perken van de zelfde bontbladige plant aan de eentoonige bloemperken toe te voegen, of aan zijne exemplaren met bonte bladen hier of elders in den tuin eene geheel afge- zonderde plaats aan te wijzen.

>

lil/tm ,-\4-An+ /-*<-»■»-».-» rritlTrlt-t iimi T' i~ir*i- f\r\yt + A>1 TTAD/i ah h <-»+ rvs\

HET AANLEGGEN VAN BLOEMPEKKEN IN TUINEN.

Naar het ons voorkomt , wordt er in het December-nummer 1806 van V Horticulte%r Francais, blz. 365, te recht op gewezen , dat het tijd is , aan den staat van zaken , zooals wij dien hierboven geschetst hebben , een einde te maken , en terug te keeren tot den aanleg van gemengde perken , die het voorrecht hebben het oog lang achtereen te boeien , en dat wel zonder vermoeienis te weeg te brengen , daar de aandacht van den eenen vorm onophoudelijk naar den anderen wordt afgeleid. In den tuin van het Luxembourg te Parijs, is die aanleg van gemengde perken , volgens den Heer F. Hérincq ,

l redacteur van V Horticultcur Frangais , onder alle wisselin- gen van den smaak , behouden gebleven , en kan die tuin ten voorbeeld strekken van de wijze , waarop men in deze behoort te werk te e*aan.

Om onze Lezers qenig denkbeeld te geven van de rang- schikking der planten, zooals die in den tuin van het Luxem- bourg begrepen wordt, nemen wij hier een lijstje over, dat betrekking heeft op een rabat , en waarin elk nummer over- eenstemt met eene plant, welker naam wij hieronder zullen

>

opgeven.

>

2, 4, C, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 2, 4, 1, 3, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 17, 19, 1, 3,

2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 2, 4,

\

Men moet zich nu voorstellen , dat de middelste reeks uit

planten bestaat van ongeveer 1 meter hoog'. Op de plaat- sen , ingenomen door het cijfer 1 , zet men eene stam-Roos , en in het midden tusschen twee stam-Rozen dus op No. 11 eene stam-Fuchsia met ronde kruin, en die dus, wat haar vorm betreft, op eene stam-Roos gelijkt. De ruimten tusschen de stam-Rozen en stam-Fuchsia's worden

nu ingenomen als volgt :

j

HET AANLEGGEN VAN BLOEMPERKEN IN TUINEN.

3 door een bos Gladiolussen. 5 door blauwe Ageratums. 7 door roode Pbloxen.

9 door Gaura Lindheimerii.

i

13 door gele en oranje Lantana's. 15 door blauwe Ageratums. 17 door de roodbloemip;e Cosmos. 19 door witte Phloxen.

De beide andere lijnen bestaan uit : . 2. Fuchsia's met een witten kelk en eene violette kroon ; 4. de variëteit Camellia blanche der tuin-Balsemien ; 6. de gele Oenothera serotina ; 8. Pelargonium zonale met roode bloemen; 10. de variëteit Voltaire van Heliotropium peruvianum (don-

ker-blauw) ; 12. de variëteit Comtesse de Chambord onder de Phloxen

(bleek-rozerood) ; 14. Anthemis frutescens (met witte bloemen) ; 16. Tagetes lucida (met gele bloemen); 18. Pelargonium zonale ; 20. blauwe Ageratums in kleine exemplaren.

De planten, welke wij hier hebben opgenoemd, zijn da- gelijks te verkrijgen en niet kostbaar; en wij kunnen dus diegenen onzer lezers , welke daartoe in de gelegenheid zijn , wel aanbevelen , om de proef eens , zoowel met gemengde perken als rabatten te nemen , niet twijfelend of zij zullen met de lofspraak , daaraan in den Horticulteur Frangais toe- gekend, moeten instemmen.

Voor het overige doen wij opmerken , dat de kunst om de kleuren behoorlijk te rangschikken niet , zooals men zulks wel eens denkt , iemand aangeboren moet wezen , maar dat men ze ook door studie zich eigen kan maken. Er zijn in

HET AANLEGGEN VAN BLOEMPERKEN IN TUINEN.

dit opzicht wetten , die de man van smaak instinctmatig op- volgt , maar die een ieder , die zulks wenscht , uit de boeken kan leeren kennen. Een uitmuntend overzicht van die wet- ten geven Decaisne en Naudin in het 2e deel van hun Manuel de V amateur des Jardins , blz. 53 en volgenden, en wij nemen dan ook de vrijheid, onze Lezers daarheen voor de onderwerpelijke zaak te verwijzen. Alleen wenschen wij hier van genoemde Schrijvers het lijstje over te nemen van de combinatiën tusschen twee en drie kleuren , welke het meest voldoen , en door eene nauwgezette studie der kleuren worden voorgeschreven.

Aanbevelenswaardige binaire combinatiën dan zijn de vol- > gende :

A. tusschen de enkelvoudige (rood , geel en blauw) of de daaruit voortgesproten samengestelde kleuren (oranje , groen, violet) en het wit; derhalve tusschen blauw en wit; rood en wit ; geel en wit ; oranje en wit ; groen en wit ; violet en wit. Naar mate de kleuren zuiverder en helderder zijn , wordt ook het oog aangenamer aangedaan.

B. tusschen de enkelvoudige kleuren onderling of tusschen eene dezer en hare complement-kleur J). Derhalve voldoen goed: rood en geel; rood en blauw; geel en blauw'; geel en violet; oranje en blauw; groen en rood. (De orde, hier voorgedragen , valt samen met de deugdelijkheid der combi- natie). Vereenigingen van enkelvoudige en andere kleuren , die geene complement-kleuren der eersten zijn (zooals van rood en oranje , rood en violet , geel en groen , enz.J voldoen minder of slecht.

') Men noemt complement-kleur elke kleur , die , toegevoegd aan eene andere (enkelvoudige of samengestelde) , het drietal oorspronkelijke of en- kelvoudige kleuren (rood , geel en blauw) weder doet ontstaan. Zoo is bet groen (uit blauw en geel gevormd) de complement-kleur van bet rood ; het violet (uit blauw en rood gevormd) de complement-kleur van het geel, en omgekeerd.

ik

HET AANLEGGEN VAN BLOEMPERKEN IN TUINEN.

S,

Bij de ternaire combinatiën speelt liet wit veelal eene belangrijke rol , eu doet men zelfs wél het tweemaal te her- halen. Zeer goede vereenigingen zijn de volgende : tusschen wit , rood en groen ; tusschen wit , rood , wit en groen ; tus- schen blauw , oranje , blauw en wit , of wit , oranje , wit en blauw; tusschen wit, geel, violet en wit, of wit, geel, wit en violet ; tusschen geel , rood , wit en geel ; tusschen wit, rood, blauw en wit, of beter: wit, rood, wit en blauw ; tusschen wit, oranje, groen en wit, of wit, oranje, wit en groen ; tusschen wit , oranje , violet en wit , of wit , oranje , wit en violet ; tusschen wit , geel , groen en wit ; tusschen wit , geel , blauw en wit , of wit , geel , wit en blauw , enz.

Wij voegen hier ten slotte bij , dat , met het toenemen van den afstand waarop men de bloemen plaatst, natuurlijk ook de noodzakelijkheid eener meer bestudeerde schakeering der kleuren afneemt. 0.

EEN WONDERLIJK VERSCHIJNSEL OP HET GEBIED VAN DE BEVRUCHTING DER PLANTEN.

Onder de planten , die ten alleu tijde het sieraad der kas- sen hebben uitgemaakt , bchooren zonder twijfel de Passie- bloemen. Sierlijk en los winden zich hare stengels om stijlen en staketsels ; afwisselend in vorm , hoewel in den regel uit het zelfde model gesneden, herinneren ons hare bladen, hoe verscheidenheid en overeenstemming gepaard kunnen gaan ; schitterend met de heerlijkste kleuren , verrassend door hare vreemde samenstelling, en niet zelden uitlokkend door de welriekende geuren , welke zij van zich geven , boeien ons hare bloemen in hooge mate , en meer dan zulks ge-

V.)

DE BEVRUCHTING DER PLANTEN.

wooulijk bij andere planten het geval is. Kan het ons dan bevreemden , dat menig- liefhebber zich tot de Passiebloemen in 't bijzonder voelde aangetrokken , en dat men er zich tevens op heeft toegelegd , het leven dier plauten in ver- schillende richtingen te bestudeeren ?

En toch , hoeveel ijver men ook in het laatste opzicht heeft aan den dag gelegd , zoo is er toch nog een raadsel in dat leven , waarvan de oplossing tot op heden niet is gegeven. Wij bedoelen het feit, dat verscheidene Passie- bloemen — ware soorten van het geslacht Passiflora geene vruchten voortbrengen , indien men haar eigen stuif- meel op haar eigen stempel overbrengt , maar wel als men eene kruising in 't werk stelt, of m. a. w. het stuifmeel eener soort a. overbrengt op den stempel van b. , of omge- keerd. Juist deze laatste omstandigheid, dat het stuifmeel eener soort a. werkeloos is op de stempels der zelfde soort , maar werkzaam op die eener andere, g-eeft terstond een ont- kennend antwoord op de vraag, die bij dezen of genen zou kunnen oprijzen , of het stuifmeel onzer gekweekte Passie- bloemen niet somwijlen door steriliteit getroffen zou kunnen wezen, d. i. het vermogen zou kunnen verloren hebben, stuifmeelbuizen voort te brengen.

De kennis van het ouderwerpelijke feit zijn wij verschul- digd aan den Heer John Scott, directeur van den botani- schen tuin te Edinburg , die , getroffen door de omstandig- heid , dat de Passiflora's van dien tuin [Passijlora, coerulea , racemosa en alata) wel overvloedig bloeiden , maar nooit vruchten voortbrachten , de kunstmatige bevruchting onder- nam , hoewel zonder tot eene meer bevredigende uitkomst te geraken. In plaats van ontmoedigd , gevoelde zich Scott , door het negatieve resultaat zijner proeven , aangespoord om , langs een anderen weg dan den tot hiertoe bewandelden ,

loze en 22 goede zaadkorrels aangetroffen.

Dl: BEVRUCHTING DER PLANTEN.

tot het doel zijner wenschen te geraken , en daarvan waren de kruisingen liet gevolg , waarop wij hier boven met een enkel woord hebben gezinspeeld.

Ten einde onzen Lezers een denkbeeld te geven van de wijze , waarop Scott te werk ging' , en hun de uitkomsten zijner proeven duidelijker voor oogen te stellen , volgen wij hem hier in zijn verhaal , van zijn wedervaren gegeven , onder bijvoeging dat de proeven , thans bedoeld , dagteeke- nen van de jaren 1861 en 1862.

1°. Tien bloemen van Passiflora racemosa werden bevrucht met het stuifmeel van P. alala , en wel met dit gevolg , dat er zeven vruchten rijpten, waarvan elke 123 goed ge- vormde zaden bevatte. Vier andere bloemen der zelfde P. racemosa , met het stuifmeel van een tweede exemplaar van P. alala in aanraking gebracht , ondervonden daarvan hoe- genaamd geene werking- ; doch zes anderen , op wier stempel het stuifmeel van een derde exemplaar van P. alala werd afge- streken , brachten weder drie vruchten voort , waarvan echter slechts eene enkele rijpte, en 114 goede zaadkorrels bevatte.

2". Zes bloemen van P. racemosa werden bevrucht met het stuifmeel van P. coerulea. Twee rijpe vruchten , te samen met 235 zaden, waarvan er echter slechts 197 deugdelijk schenen te wezen , werden door die bloemen opgeleverd. Zestien andere bloemen van de zelfde plant, blootgesteld aan de werking van het stuifmeel van twee andere exemplaren van P. coerulea, bleken daardoor echter in het minst niet aangedaan. Ook het stuifmeel van P. pinnatistifula was

op de bloemen van P. racemosa zonder werking-. Daaren-

'-1,5 tegen brachten zes bloemen dezer laatste , bevrucht met het

stuifmeel van P. mollissima, drie vruchten voort, waarvan

er echter slechts eene enkele rijp werd; in deze werden 120

r-^r-r^^-

DE HEVRUCHTING DER PLANTEN.

Twintig bloemen eindelijk van P. racemosa , elke met haar eigen stuifmeel behandeld , leverden slechts ééne vrucht op , edoch met zaden, die allen loos waren, of waarin m. a. w. geene kiem te ontdekken was.

3". Bij twintig bloemen van P. coenlea , elke met haar eigen stuifmeel behandeld, was hoegenaamd geene vrucht- zetting te bespeuren ; omgekeerd echter , waren de uitkomsten zeer verrassend , toen eenige andere bloemen der zelfde plant aan de werking van het stuifmeel van een ander exemplaar van P. coerulea blootgesteld werden. Ook het stuifmeel van P. racemosa gaf, op de stempels van P. coerulea overge- bracht, aanleiding tot de vorming van rijpe vruchten met deugdelijk zaad. De proeven echter, op de bloemen van P. coerulea met het stuifmeel van P. alata genomen , leverden eene volstrekt ongunstige uitkomst.

4°. De bloemen van P. alata waren voor haar eigen stuif- meel geheel ongevoelig. Eene kruising echter tusschen de bloemen van verschillende exemplaren der zelfde soort , werd met den gelukkigsten uitslag bekroond. Ook leverden twee bloemen van P. adiantlioid.es, aan de werking van het stuifmeel van P. alata blootgesteld , twee vruchten , die 46 goede en 200 loze zaden bevatteden. Zes bloemen van P. coccinea , op de zelfde wijze behandeld , gaven eene rijpe vrucht met 12 goede en 35 loze zaden.

5°. Honderd en vijftig bloemen van P. pinnatistipula , elke met haar eigen stuifmeel behandeld, leverden niet meer dan twee rijpe vruchten , maar zonder een enkel goed zaad. Toen echter op zes bloemen der zelfde plant het stuifmeel van P. mollissima was overgebracht, mocht Scott daarvan ééne rijpe vrucht met 52 goede en 190 loze zaden inzamelen. Deze proeven , door enkele andere personen herhaald , en met den zelfden uitslag bekroond , pleiten , volgens Naudin ,

DE BEVRUCHTING DER PLANTEN. i

5

i voor de door Dauwin uitgesproken stelling , dat er ook onder

de planten voorbeelden te vinden zijn , die bewijzen , dat de natuur vijandig' gestemd is tegen eene toenadering tusschen individuen, welke elkander zeer na verwant zijn. Of dit be- sluit werkelijk juist is, zou ik, op grond van eene overgroote menigte gevallen, welke, althans voor de planten, juist het tegenovergestelde bewijzen , meenen te mogen betwijfelen. Maar hoe dit ook zij , dit is zeker , dat het uitspreken van zulk eene meeninjr als die van Darwin no£>' geene verklaring; geeft van de door ons besproken feiten. Het zou kunnen wezen , dat die verklaring nimmer gevonden zal worden ; maar wenschelijk blijft het vooralsnog daarnaar te vorschen.

Daar sommige Passiflora's , zooals P. laurifolia , eetbare vruchten hebben , zoo kunnen Scott's proeven ook van prac- tisch belang worden geacht , en hen , die daartoe in de ge- legenheid zijn , aansporen , de kuituur dier vruchten te be- proeven. Naudin houdt het er voor , dat het klimaat van Provence warm genoeg is om die kuituur, zelfs in de open lucht , maar tegen spalieren die naar het zuiden gekeerd zijn , te doen gelukken. O.

III. GEMENGDE BERICHTEN.

De Heer Barillet , » Jardinier en chef de la ville de Paris" , getroffen niet alleen door de ontzaggelijke hoeveel- heid verscheidenheden , welke jaar op jaar van sommige planten-geslachten , zooals Pelargonüim , Ftichsia en dergelij- ken, in den handel gebracht worden, maar ook door de zeer groote gelijkenis van velen daarvan onderling, is onlangs op het denkbeeld gekomen , eene soort van jury in te stellen , uit de kundigste specialisten voor de verschillende rubrieken van

GEMENGDE BERICHTEN.

gekweekte planten gevormd , en aan wien zou worden opge- dragen , de deugdelijkheid en de waarde der verscheidenheden te onderzoeken, welke van deze of gene planten-soort jaarlijks aan de markt zouden worden gebracht. Deze jury , samen- gesteld uit de Heeren Malet , Dufoy (Alph.) , Chaté fils , Urbain , Legrand , Domage , Ermens , Carrière en Rafarin , heeft den 22en Augustus 11. zijne eerste zitting gehouden , en bepaald, dat de werkzaamheden voor 1866 zouden bestaan in het beoordeelen der verscheidenheden van Pelargonium zonale en inqtiinans . Aanvankelijk van meening , dat men die verscheidenheden met het oog op de soort harer afkomst uit elkander zou kunnen houden , hoopten genoemde Hee- ren , dat men daarvan dan ook twee sectiën of uiteenloo- pende reeksen zoude kunnen vormen ; maar , weldra de ijdel- heid dier verwachting hebbende leeren inzien , kwamen zij , op voorstel van den Heer Rafarin , tot het besluit , in de eerste plaats de kleur der bloemen te raadplegen , en , op grond der verschillen , welke deze mocht aanbieden , eene reeks van categoriën te vormen , waarin aan elke verschei- denheid hare plaats zou kunnen worden aangewezen. Het gevolg hiervan was , dat men drie hoofdkleuren vaststelde , welke bij de beoordeeling tot leiddraad zouden kunnen ver- strekken , nl. 1°. het donkerrood , door het zalmrood over- gaande tot hel» wit , 2°. het karmijnrood , en 3°. het rozerood ; en nu onder elke dier kleuren soms nog in onderkleuren verdeeld die verscheidenheden deed opnemen, welke daar- toe behoorden en welke men meende , dat werkelijk aanbe- veling verdienden , terwijl men de overigen buiten rekening liet. Daarbij echter had de jury de welberadenheid , achter den naam van elke der verscheidenheden een nummer (1 , 2 of 3) te plaatsen, dat den graad harer verdienste uitdrukte , en tevens door de letters PT. , S. of B. te kennen te geven ,

UEMKNGDE BERICHTEN.

of men haar in den vollen groud (Pleine Terre) of in de kas (Serre) behoorde te kweeken , of wel voor randen (Bordures) van perken zou kunnen gebruiken. Verscheidenheden , wier bloemen in tint volkomen met elkander overeenstemden , werden onder één nummer , vóór den naam der plant ge- plaatst, bij elkander gehouden. Ziehier de lijst, welke de jury, in den hier boven bedoelden geest, van de variëtei- ten van P. zonale en inquinans bekend maakte.

O raad

van ver- Gebruik, dienste.

P.T. S. P.T. S.

P.T. P.T. P.T.

DOXKERROODE.

1. Tompouce(P) 3.

2. Frogmorc (?) 3.

3. Henry Lierval (Des-

c/tamps) 1.

La Foudre (Lemoine) 1.

Le Zouave ( » ) 1. Boulc de feu (Nive-

let) 2. P.T.

Etendard (Riehalet) 2. P.T.

Langewicz (Lemoine) 2. P.T.

Les Misérables ( » ) 2. B. Etoile des Massifs

(Boueharlat) 3. P.T. Hugo Englert

( Weinrich) 3. P.T. Madame Galland

(Boueharlat) 3. P.T.

4. Léonidas (Lemoine) extra. P.T. Sobiesky ( » ) 1. P.T. Boule de feu

(V Huillier) 2. P.T. Georges Xachet

(Bendatler) 2. P.T. Prinee impérial

(Jarht) 2. P.T. Marvel (TT. Buil) 2. S. Vietor Lemoine

(Nardy frères) 3. P.T. Clipper (Smith) 3. S.

Triomphe de Cour- celles ( Taranr/uc) 3. P.T.

5. Mr. Aimé Dubos

(Boueharlat) 1. S. Mr. Mangenct (Jar- ht) 1. S. Daniël Manain

(Lemoine) 3. P.T.

Directeur (JRichalet) 3. S.

Ie Groep , de Terscheidenheden omvallend mei DOHERT.OODE , ZALMKLEURIGE en WITTE bloemen.

G raad van ver- Gebruik. dienste.

Donald (Beaton) 3. S.

6. Président Réveil (Nardy frères) 3. P.T.

Docteur Lindley

(W. Buil) 3. S.

7. Géant (le) (Bou- eharlat) 3. S.

8. Revisor Kulmann (TTeinrich) 3. P.T.

9. Mad. Aunier (Nardy frères) 2. P.T.

Effective ( W. Buil) 3. S.

Mexico (Chardine) 3. P.T.

10. Vietor Millot (Crousse) 1. S.

Fortune Delmez

(Crousse) 3. P.T. Le Xiagara (Le- moine) 2. P.T.

11. Sun Light ( TT. Buil) 1. P.T. Vercingêtorix (Le- moine) 2. P.T.

Woodwardiana

(Henderson) 2. S.

12. Jules César (Le- moine) 1. P.T.

Mad. Léon Loisel

(Malet) 1. P.T. Ami Rabotin

(Bendatler) 2. P.T. Marie Vincent

(Crousse) 3. P.T.

ZALMKLEURIGE.

13. Emile Licau (Lieau) extra. P.T. Mad. Calot (Le- moine) 1. P.T.

GEMENGDE BERICHTEN.

3 raad

Graad

;

van ver

Gebruik.

van ver

- Gebruik.

dienale

diensie

M'. Pages (Nardy

Mad. Rendatler

l

frères)

1.

P.T.

(Nivelet)

2.

s.

Abbé Samson (Mor-

21

Charles Rouillard

1

fine)

2.

S.

(Mezard)

2.

s.

Exquisita (Hoek)

2.

P.T.

Nina Hoek (Hoek)

3.

P.T.

Mad. Travers (Reu-

22

Mad. Prudent Gau-

j

datlcr)

2.

P.T.

din (Bruant)

2.

s.

Beaton's Indian

23

Amelina Grisau

i

Yellow (Beaton)

2.

S.

(Lemoine)

1.

s.

Archevêque de Pa-

Ary Zang

2.

B.

ris (Lemoine)

3.

P.T.

Norma

2.'

s.

Mad. Fischer

Princesse Alice

s

( Weinrieh)

3.

P.T.

(Smith)

3.

P.T. \

14

Jean Valjean (Le-

24

Mad. Danguy

<

moine)

1.

P.T.

(Nardy frères)

2.

s.

Mr. Barre (Babouil-

25

Monseig1. Lavigerie

P.T.

lard)

1.

P.T.

(Rendatler)

1.

Qtesse ,je p0urtalès

Le Prophete (Le-

<

(Rendatler)

2.

P.T.

moine)

1.

P.T.

Titien (Ie) (Crousse)

3.

P.T.

Mad. Dufour (Makt)

1.

S.

15

Etienne Henri

Brillant de Toulouse

;

(Rendatler)

2.

P.T.

(Smith)

3.

S.

Mad. Loussel (Malet)

2.

S.

26

Ludvfig Uhland

<

Mad. Ninette Sac-

( Weinrich)

2.

P.T.

chero (Crbusse)

3.

P.T.

27

Marie Labbé (Char-

l

Saint-Fiacre (Le-

dine)

1.

P.T.

moine)

3.

P.T.

28

Dame Blanche

(Plaisancon)

1.

S.

Half roze- half

29

Mad. Berthe Foache

5

ZALMROODE.

(Rendatler)

1.

S.

16

Mad. Rougier ( Char-

Mad. Verlé (Ba- .

s

diné)

3.

P.T.

bouillard) Souvenir de Mr. Pey-

1.

s.

Oranjeroode,

rot (Bruant)

1.

s.

]

LICHTGESTREEPTE ,

Gaëtana ( Weick)

2.

s. 1

DONKER ORANJE-

s

KLEURIGE.

Bijkans witte.

<

17

Les Gaules (Lemoine)

1.

P.T.

30.

Virgo Maria (Ni-

S

18

Eugénie Mezard

velet)

1.

P.T.

(Babouillard)

1.

P.T. S.

31.

Scbneeball (Hoek)

1.

P.T.

Charlotte Corday

Lara (Lemoine)

2.

P.T.

(Nardy fr.)

2.

P.T.

Mad. Vaucher (Ba-

\

19

Gloire de Corbeny

(Babouillard) Mad. la baronne Haussmann ( Yille

1.

S. P.T.

32,

bouillard)

Witte. La Vestale (Babouil-

2.

P.T.

'

de Paris) Mathilde Moret

1.

S. P.T.

lard) White Tom Thmnb

1.

S.

( Chardine)

3.

P.T.

(W. Buil)

1.

S. P.T.

20

Havilah (Jarlot)

2.

P.T.

Blanche de Castille

Baronne de Staël

(Boulanqcr)

2.

S.

(Malet)

2.

P.T.

The Swan (D. Buil)

2.

s.

( Vervolg hierna

•)

Ï01S

(ll'OHI I

AGAPANTHUS MAXIMUS. Ilori Bel?.

('Iiiiiniulilli \ .

I. BESCHRIJVINGEN VAN AFGEBEELDE PLANTEN.

AGAPANTHUS MAXIMUS hort. belo

staat zij bekend als «African Lily" en bij de Duitschers als »blaue Tuberose", hoewel haar eigenlijke titel, afgeleid uit de Grieksche woorden »agapè" (liefde) en »anthos" (bloem) »Liefdebloem" zou moeten wezen.

A. umbellatus heeft, evenals A. maximus, een dikken vleezigen wortelstok en lintvormige bladen , die in twee rijen staan en de lengte van 2 of meer voet kunnen bereiken.

De teekening der hiernevens staande plaat werd vervaar- digd naar een exemplaar uit de kweekerij des Heeren Glijm te Utrecht , aldaar onder den naam van Agapanthus maximus uit de kweekerij des Heeren L. van Houtte te Gend inge- voerd. Het is niet onwaarschijnlijk , dat wij hier met eene verscheidenheid der sedert lang bekende Agapanthus umbel- latus te doen hebben , die zich wellicht door een weliger ontwikkeling en forscher uiterlijk onderscheidt.

Agapanthus umbellatus behoort tot de Lelieachtige planten (onderafdeeling Hemerocallideeën) en is afkomstig- van de Kaap. Haar invoer dagteekent reeds van het laatst der 17e eeuw, en het pleit zeker wel voor hare goede eigenschappen als sierplant, dat zij nog altijd onder de gezochte voorwer- pen van de oranjerie blijft behooren. Thunberg , die eene flora van de Kaap schreef, noemde haar Mauhlia linearis en Linnaeus Crinum africanum. De naam van Agapanthus umbellatus is afkomstig van l'Hékitier. Bij de Engelschen

AGAPANTHUS MAXIMUS.

Uit liet midden , tusschen de bladen , rijst op bepaalde tijden , meest des zomers , doch soms ook wel in het voorjaar , een 2 tot 3 voet hooge bloemsteng-el op, aan welks top talrijke lang- gesteelde blauwe bloemen schermswijs bij elkander staan. Zelven zijn die bloemen trechtervormig, met een zeslobbigen zoom. Van binnen dragen zij zes meeldraden , terwijl zij bovendien een enkelen stamper omvatten, welks driehokkige eierstok later in eene zaaddoos verandert , die met drie klep- pen openspringt. Aan den voet des bloemscherms vertoonen zich in den beginne twee vliezige schubben , die het scherm eenmaal tot hulsel verstrekten , doch later gedwongen wer-

7 DO

den uiteen te wijken. In droogen staat vallen die schub- ben af.

In de beschrijvende werken wordt, behalve van Ag. %m- bellalus en Ag. maximus, ook nog van een Ag. praecox gewag gemaakt, die zich door langere bloemstengels en rijkere schennen onderscheiden zou.

Men kweekt de Agapanthussen in ruime potten , waarin goed voor afwatering gezorgd is , en die men des zomers op eene zonnige plaats , des winters in eene vorstvrije kamer of in de oranjerie nederzet. In eerstgenoemd jaargetijde geeft men zijne planten rijkelijk water, in laatstgenoemd zeer weinig. Men verpotte niet dan wanneer de wortels geene plaats meer hebben om zich te ontwikkelen , en zorge altijd voor eene omzichtige behandeling dier organen , daar zij geene uitgebreide verwondingen verdragen. Te dikwerf verpotten geeft veel blad, maar weinig bloem.

O.

II. WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

TERUGBLIK OP DE VOORNAAMSTE AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN IN 1866.

In een paar der eerste nummers van den Gardener's Chronicle dezes jaars komt een goed geschreven stuk voor, waarin ons een blik gegund wordt op de nieuwe plan- ten, die 1866 voor den tuinbouw beeft opgeleverd. Wij wenscben onze Lezers met dat stuk bekend te maken althans datgene daaruit over te nemen , wat ons passend voorkomt en op algemeene belangstelling- rekenen mag. Wij zeggen het onzen Engelschen voorganger evenwel na, dat het hier volgend overzicht slechts over zoodanige planten loopen kan , die ware verdiensten hebben , zoodat sommige namen , vroeger hier of daar wel vernomen , daarin somtijds te vergeefs zullen worden gezocht.

Een aanvang wordt gemaakt met de revue der nieuwe Orchideeën , en dat niet alleen , zegt de Engelsche schrijver, omdat deze gewassen hoe langer zoo meer in de algemeene belangstelling schijnen te rijzen , maar ook omdat onder hen de aanwinst van nieuwe soorten het aanzienlijkst geweest is. Hij wijst er ook op , hoe krachtig in het afgeloopen jaar de overtuiging veld heeft gewonnen , dat zeer vele uitstekende Orchideeën in matig warme kassen , ja zelfs in oranjeriën , tot volkomen ontwikkeling kunnen komen , zoodat men te- genwoordig niet eens bijzonder weigezeten behoeft te wezen om zich aan de kuituur van Orchideeën te durven wag'en.

L

(

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

Het jaar 1 866 is voor de ontdekking en den invoer van Orchideeën van den eersten rang veel gunstiger geweest dan eenig vroeger. Dit zal kunnen blijken uit onze straks vol- gende opgaaf, indien men daarbij in het oog houdt, dat er tegenwoordig ter nauwernood 100 Orchideeën op dien titel aanspraak kunnen maken , en dat deze allen in de laatste 40 jaar ontdekt zijn , . zoodat elk dier jaren gemiddeld 2^ nieuwe soorten van den eersten rang heeft opgeleverd.

Geopend werd de aanwinst van nieuwe Orchideeën in 1866 met twee allerliefste Dendrobia , nl. Dendrobmm Mac CartMae en D. thyrsift'orwm , gene van Ceylon naar Kew, deze van Monlmein naar de Heeren Low afgezonden.

Wij zeggen niet te veel door te beweren , dat D. Mac CartMae alle uitnemende eigenschappen , welke eene Orchidee hebben kan met uitzondering alleen van een heerlijken geur in zich vereenigt. Zij heeft een sierlijk voorkomen , groeit en bloeit gemakkelijk , behoudt hare bladen , en brengt trossen van prachtig rozeroode bloemen voort, zoo groot en schoon als van eenige Laelia , en die , volkomen ontwikkeld , twee maanden duren. D. tkyrsijforum gelijkt veel op ü. densij "lorum <,• ook worden hare trossen van liefelijk wit en goud gekleurde bloemen op de zelfde wijze als bij deze laatste voortgebracht , al is het ook niet te ontkennen dat zij grooter en fraaier zijn.

Op de zooeven herdachte Dendrobia volgde de voortreffe- lijke Cattleija Dowïana , waarop met recht de naam van » Ster van liet westen" mag worden toegepast. De bloemen dezer plant zijn inderdaad prachtig te noemen en daarbij , met hare nankinggele blaadjes en donkerbruine lip , zeer onge- meen , ja eenig van kleur. Invoerders van deze Cattleya waren de Heeren Veitcii and Sons , aan wie ook de eer toekomt, het eerst Saccolabiim giganlenm te hebben ten toon

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

gesteld , niet minder treffend door hare reusachtige afmetin- gen dan door de grootte en het koloriet harer bloemen. Men noemt deze laatste plant afkomstig van Rangoon , welke streek ook Vanda Bensoni , eveneens het eigendom der Hee- ren Veitch, heeft opgeleverd.

Al de tot hiertoe opgesomde Orchideeën behooren tot het gebied der warme-, zeker althans tot dat der gematigde kasplanten. Nevens haar kunnen , als werkelijk belangrijke aanwinsten uit de zelfde categorie , nog genoemd worden : Oncidiim Marshallianum , Zycomormium pallidum , Coeloggne corrugata , Epidendrvm Cooperi.

Onder de Orchideeën , welke eene veel lagere temperatuur

noodig hebben om zich naar behooren te ontwikkelen , komt

de eer der vermelding het eerst toe aan Mesosjpinidium san-

gnineum van de Heeren Backhouse, ingevoerd uit Ecuador.

Deze plant draagt eene kort getakte pluim van glanzig-

rozeroode bloemen , die uit den voet van een knolvormig

... gezwollen steugellid oprijst. Ook Odontoglossmn Hattii ,

in November 1866 ten toon gesteld door den Heer Aspinall

Turner , mag niet vergeten worden , hoewel het goed is , de

verwachting- omtrent datgene, wat de kuituur ten haren

voordeele zou kunnen doen , niet te hoog- gespannen te hou- den , daar men ontdekt heeft , dat de bloemen van exempla- ren , in het wild gezameld en in de herbaria voorhanden , grooter zijn clan die van exemplaren uit de kas. Het is zeer te wenschen en ook wel te verwachten , dat er van Odouloglossum Uallü verscheidenheden op hare oorspronke- lijke groeiplaats te vinden zijn ; en zoo dit vermoeden beves- tigd mocht worden , dan is het niet twijfelachtig , dat weldra ook in onze kassen exemplaren met grooter bloemen prijken zullen. Omtrent Odouloglossum Alexandrae , die eigenlijk tot de aanwinsten van 1865 behoort, wenschen wij meê te

88

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

deelen , dat de indruk , welken hare bloemen tot hiertoe had- den te weeg gebracht , en die toch reeds uitmuntend was , zeer is g-erezen nadat eenige individuen uit de verzamelingen der Heeren Paterson en.ANDERSON te Londen zijn ten toon gesteld geworden.

De menigte van klein-bloeiende Orchideeën, welke in 1866 het eerst op de vergaderingen van South-Kensington te aan- schouwen werden gegeven , kunnen te dezer plaatse niet worden opgesomd. Daarom is het ons aangenaam , te kun- nen mededeelen , dat zij in het werk van den Heer Wilson Saunders afgebeeld en besproken zullen worden. Ook de Heer Warner gaat voort met het opnemen der meest aan- bevelenswaardige verscheidenheden van reeds bekende Orchi- deeën in zijn «Select Orchidaceous Plants". Voegen wij hier nu bij , dat de Heeren Eeeve and C°. , uitgevers van het Botanical Magazine , bezig zijn , de prachtigste Orchideeën uit dat maandwerk reeds in een tweede honderdtal afzonder- lijk verkrijgbaar te stellen Second Century of Orchidaceous Plants"); dat de zelfde uitgevers het verschijnen van een nieuw gedeelte van Bateman's » Monograph of Odontoglos- sum" hebben aangekondigd, en dat Profr. Reichenbach aan zijne reeds bestaande »Xenia Orchidacea" een nieuw werk over de Orchideeën van Centraal- Amerika denkt toe te voe- gen , dan hebben wij alle reden om over het lot der Orchi- deeën in den loop van 1866 tevreden te zijn , en haar eene blijde toekomst te voorspellen.

Stappen wij dan nu van die planten af, dan wordt onze aandacht het eerst getrokken door de rubriek der bontbladige g-ewassen. Onder de menigte nieuwigheden , welke zij heeft opgeleverd , noemen wij allereerst Anthurium regale van den Heer Linden , welke plant , hoezeer ook met de zelfde goede eigenschappen als A. magni/icum. bedeeld, van

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

deze echter door nauwer toeloopeude bladen onderscheiden is. CyatiophyUum spectandum wedijvert in schoonheid met C. magnijicum , en laat dan ook niet na , deze edele soort in onze herinnering terug te voeren. Dichorisandra musaica opent om zoo te zeggen eene nieuwe reeks van elegant ge- teekende bladplanten , in zoo verre nl. hare donkergroene bladen door witte , dwars loopende eu zig-zagswijs heen- en weèrgebogen , strepen zoo heerlijk geteekend zijn , dat het geheel bij mozaïkwerk verdient vergeleken te worden. Ook Diejfenbachia Weirii, eene der door den ongelukkigen Weir

ontdekte en ingevoerde gewassen , wordt niet ten onrechte onder de uitstekende aanwinsten van 1866 medegerekend. Hare bladen zijn smaller dan die der overige gekweekte Dieffenbachia's en in hun midden met geelgroene vlekjes ge- teekend , die elk afzonderlijk in een donkergroenen zoom ge- vat zijn. In Pandanus distichus hebben wij een Pandanus leeren kennen , waarvan de bladen niet langer spiraalswijs om den stengel heen , maar in twee rijen geschaard staan , zoo- dat daardoor het uiterliik van een monster-waaier wordt te weeg gebracht. Acalypha tricolor trof ons door de geheel op zich zelve staande kleur der vlekken, over hare breede bla- den verspreid ; eene kleur , die wij niet beter dan bij die van koperrood weten te vergelijken , en die tot hiertoe onder de bontbladige planten niet werd opgemerkt. Wij behoeven wel niet te zeggen , dat deze plant daardoor een zeer fraai con- trast tusschen andere van haars gelijken te weeg kan bren- gen. — In Fitlonia argyronewa leerden wij eene waardige tegenhangster kennen van F. Verscltaffeltii , daar de licht- groene bladen hier , in plaats van door roode , door zuiver omschreven, helderwitte , aderen doorloopen worden. Ein- delijk verdient nog, onder de planten met veelkleurige bla- den , gewag te worden gemaakt van Maranta Lindeniana ,

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

in pracht wedijverend met Al. Veitchii van het afgeloopen jaar, Maranta illustris en Al. roseo-jncta , al welke gewas- sen, behalve nog een twintigtal anderen van minder betee- kenis, die door den Heer Linden op de internationale bloe- mententoonstelling van 1866 te Londen werden ingezonden, eene voortreffelijke aanwinst zijn voor onze kassen , en ons in staat stellen . enkel van soorten van Maranta , eene uitne- mende verzameling bijeen te brengen.

*

Onder de Varens liggen het eerst twee nieuwe bontbladige soorten aan de beurt, en wel Athyrvum Goringianum jrictum en Lastrea Sieboldii variegata. Gene is een sierlijk , half hard of misschien wel hard, gewas met driehoekige, over- hangende , dubbel-gevinde bladen , wier middelnerven rood zijn en tusschen twee g'i'ijze strepen besloten liggen ; deze eene even sierlijke , half harde , soort , bij welke de breede bladslippen met witte dwarsloopende balken getee- kend zijn. Verder komen in aanmerking Adiantwni teln- tinnm uit de keerkringsgewesten , een krachtig- gewas met herhaaldelijk ingesneden bladen, tusschen de andere Adianta onzer kassen een major domo gelijk ; Pteris serrulata polg- dactyla, eene nieuwe verscheidenheid met veelvingerige bla- den van een onzer algemeenste , doch tevens sierlijkste Varens voor de koude kas : Lomaria ciliata van Nieuw-Caledonië , een boomvaren met gewimperde bladen; Lomaria gibba Bellii, van de gewone zeer sierlijke L. gibba onderscheiden door ver- takte en kamdragende loofstelen ; eindelijk Asplenium nova,e Caledoniae, die, door het samengesteld voorkomen harer bla- den, de aandacht ook al weder dubbel waardis. De laatst- genoemde drie Varens belmoren te huis in de Kaapsche kas.

Het aantal onzer warme-kasplanten werd in het afgeloopen jaar in de eerste plaats vermeerderd met twee nieuwe Acan- thaceeëu uit tropisch-Amerika ; nieuw ook in dien zin, dat

t "-..•■ °: , ° '

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

beiden geslachten vertegenwoordigden , tot op heden onder de kweekers onbekend. Het waren Ancylogyne ïongiflora en Sanchezia nobilis. Gene draagt groote overhangende pluimen van lange buisbloemen , evenals de kelken , bloemstelen en pluimtakken , donker-wijnrood van kleur; deze rechtop staande pluimen van gele bloemen , die tusschen breed-eironde kar- mijnroode schutbladen voor den dag komen. Uit Diplade- nia crassiiioda en D. splendens werd in Engeland eene bastaard voortgebracht , die als D. amabilis in den handel kwam. Laatstgenoemde vereenigt in zich de goede eigenschappen harer beide stamsoorten , en mag dus als eene ware aanwinst voor onze warme kassen beschouwd worden. Hoogelijk te roemen is ook de aanwinst, van Passiflora fulgens uit zuid- Amerika met hare half scharlaken- half karmijnroode bloemen. Sparaxis jmlcherrima, met hare sierlijk overhangende plui- men van wijde klokvormige bloedroode , en Gladiolus Papilio met hare flink geopende, zacht gekleurde en keurig getee- kende bloemen , waren uiterst welkom ouder de bolplanten voor de Kaapsche kas, en wel in staat, de lust tot het kweeken ook van andere zuid-Amerikaansche soorten op nieuws te doen aanwakkeren. Ook Habranlhns fulgens , eene Chilische Amaryllidee, met bloemen van het prachtigst schar- laken , trok aller bewondering- ? iets , dat niet minder het geval was met Tacsonla Van Volxemü, eene hoewel uiet geheel nieuwe , echter slechts weinig bekende , Passiebloem , die met volle recht onder de allerschoonsten van haar geslacht verdient genoemd te worden. Minder om hare bloemen , dan wel om den wonderlijken vorm harer bladen , maken wij melding van Sarracenia psittacina uit de zuidelijke staten van N.-Amerika, die haar soortelijken naam («papegaai- achtig") daaraan te danken heeft , dat het deksel harer hori- zontaal uitgespreide bekers den vorm heeft van eene kap ,

.13

"

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

die zoo sterk helruvorniig gebogen is , dat zij den mond des bekers bijna geheel overspant. Hoewel Sarracenia psittacina reeds sedert geruimen tijd bekend was , had men haar toch tot in 1866 nog nooit levend ingevoerd.

Als van aanbelang voor onze bloemtuinen in het zomer- saizoen , noemen wij de kennismaking met Nierembergia Veit- chii en N. rivularis , beiden met liggende stengels , maar gene met omgekeerd-eirond-langwerpige bladen en lila, deze met langwerpige spadelvormige bladen en roomwitte bloemen. De proef om Coleus Gibsoni, eene plant, wel bekend door het zeer donkere adernet van de ondervlakte harer bladen, eveneens als half harde plant te behandelen, werd tot op heden met geen bijzonder gunstigen uitslag bekroond.

Heenstappend over vele overblijvende kruidachtige planten en talrijke tuin-verscheidenheden , staan wij een oogenblik stil bij Poa trivialis variegata allereerst als eene Cyno- surus uitgegeven en wel omdat , naar onze meening , aan haar, van alle laag- groeiende bontbladige grassen, de palm der overwinning- behoort te worden toegekend. Voor- eerst toch is de teekening der bladen hier bijzonder zuiver en sierlijk , maar dan ook behoort de bedoelde plant tot dezulken , die zeer gemakkelijk voortwillen en veel verdra- gen , waardoor zij zoowel voor den open grond als voor de oranjerie geschikt is.

Onder de boomen voor den vollen grond , maakte Alnus glutinosa aurea den meesten opgang, en niet ten onrechte. Ook Wellingtonia gigantea aureo-variegata werd met belang- stelling ontvangen. Verder ondervond de rubriek der altijd groene heesters eene belangrijke aanwinst in Prunus lusïta- iiica azorica , die de oude P. lusitanica in fraaiheid van blad en bloem beiden overtreffen moet. Van uit Frankrijk werden ons twee nieuwe verscheidenheden van Philadelphus

AANWINSTEN ONZER TUINEN EN KASSEN.

geschonken, nl. P. Keleleerü en P. tomentosus , waarvan de eerste door half of bijna geheel gevulde , de laatste door bloemen van P. duim middellijn zich onderscheidt. Bij beiden zijn die bloemen wit en heerlijk van geur. Ook Nederland bleef niet achter , daar het ons in kennis bracht met Desmodium pend 'ui 'if 'lorum (zie onzen Jaargang 1866, pi. II) , een Japansch heestertje voor den vollen grond met sierlijk overhangende takken en talrijke lange trossen van rood- purperen bloemen. - Eindelijk dient vermeld , dat een ander Japansch gewas uit de Russische tuinen tot ons kwam, nl. Daphne Genkwa , in het oog loopend fraai door de overeen- komst , welke zij , in bloeienden staat , met onze gewone Seringen heeft. O.

III. GEMENGDE BERICHTEN.

Uit het meer uitgewerkt Programma voor de Internatio- nale Tentoonstelling van Tuinbouw te Parijs in 1867, dat onlangs verspreid werd , doch dat in zijne bijzonderheden niet door ons kan worden overgenomen, deelen wij het vol- gende mede, als van meer algemeenen aard.

» Elke plant behoort een naambord te dragen , waarop haar wetenschappelijke naam (geslacht , soort , verscheidenheid) duidelijk leesbaar is uitgedrukt. Is de plant nieuw, dan moet op het naambord niet alleen haar naam , maar daaren- boven de plaats vermeld staan vanwaar zij , en den datum waarop zij werd ingevoerd. De inzenders van nieuwe ver- scheidenheden van zaadgewassen mogen aan hunne planten een gesloten en verzegeld briefje bevestigen, waarin de naam, welken zij aan de verscheidenheid wenschen gegeven te zien, staat opgeteekend. Dit briefje zal niet dan met de goedkeu-

35

GEMENGDE BERICHTEN.

ring van den eigenaar geopend worden , indien de plant geene belooning mocht worden waardig gekeurd. Omtrent planten , welke in geene der door liet Programma genoemde afdeeling-en eene plaats kunnen vinden , kan men in overleg treden met de raadgevende Commissie (Commission consulta- trice) , aan wie de macht gegeven is , voor zulke planten eene bijzondere plaatsing aan te wijzen. Waar een bepaald getal planten in het Programma gevraagd worden , mogen er noch meer, noch minder worden ingezonden. Spreekt het Programma van » Collections" , zonder verdere aanwijzingen, dan behoort men dit woord zoo op te vatten , dat er slechts één exemplaar van elke soort verlangd wordt. Wordt daar- entegen het woord » Lot" gebruikt , dan wil dit zeggen , tenzij het tegendeel uitdrukkelijk worde aangegeven , dat ver- scheidene exemplaren van eene en de zelfde soort of verschei- denheid ten toon mogen worden gesteld. Planten , die als nieuw zijn ingezonden , onverschillig of zij tot het zaadgoed behooren , dan wel van elders werden ingevoerd , mogen in geen geval reeds in den handel gebracht ' zijn. Zij , die wenschen in te zenden , behooren zich vóór den 28cn Februari 1867 aan te melden, en al datgene op te geven, wat de Commissie behoort te weten (en waarop wij reeds vroeger de aandacht gevestigd hebben)." <

Omtrent de 14 wedstrijden (Concours) , welke elkander onafgebroken zullen opvolgen , valt op te merken , dat men is uitgegaan van den wensch om telkens eene hoofd-, en 5 daarnevens eenige bijverzamelingen ten toon te stellen ; en van daar dan ook dat elke dier wedstrijden in hoofd- en bij vragen (Concours principaux et Concours accessoires) ver- deeld is geworden. Tot beter begrip der zaak, laten wij hier eene woordelijke vertaling volgen van sommige bijzon- derheden , voor zooverre die op de eerste expositie betrek-

ï

GEMENGDE BERICHTEN.

king hebben , welke met den 1°" April beginnen en den 15°" daaraanvolgend eindigen zal.

EERSTE EXPOSITIE. HOOFDVRAGEN. ALGEMEENE TENTOONSTELLING VAN CaMELLIa's IN BLOEM (en

wel naar aanleiding van de volgende 11 vragen:) 1. Eene gemengde verzameling van soorten en verscheidenheden. 2. Eene verzameling van 50 planten , ontleend aan uitge- zochte verscheidenheden. 3. Eene verzameling van 25 uitgezochte verscheidenheden. 4. Eene verzameling van 12 planten , welke uitmunten door weelderigen groei. 5. Eene verzameling Lot") van planten , welke uitmunten door goede kweeking. 6. Eene plant , opmerkelijk zoowel op haar zelve als door goede kweeking. 7. Eene verzameling van 25 verscheidenheden , welke in en sedert 1864 in den handel gekomen zijn. 8. Eene verzameling van 12 verscheiden- heden, welke in en sedert 1865 in den handel gekomen zijn. -- 9. Eene verzameling' van 6 verscheidenheden, die in 1866 in den handel werden gebracht. 10. Eene verza- meling (» Lot") van nieuwe verscheidenheden , uit zaad verkre- gen. — 11. Eene nieuwe verscheidenheid, uit zaad verkregen.

bijvragen.

Nieuw ingevoerde planten en uit zaad verkregen nieu- wigheden (en wel naar aanleiding van de volgende 13 vragen :)

A. Nieuw ingevoerde planten voor de warme kas.

(Vier vragen.)

1. Eene verzameling (»Lot") van verschillende nieuwe

planten. 2. Eene verzameling van 5 verschillende nieuwe

planten. 3. Eene verzameling- Lot") van nieuwe plan-

-

- >

GEMENGDE BERICHTEN.

ten uit één geslacht. 4. Eene plant, opmerkenswaardig uit een ornamentaal oogpunt.

B. Nieuwe planten voor de warme kas, uit zaad verkregen.

(Twee vragen.)

1. Eene verzameling (»Lot") van verschillende planten, uit zaad verkregen. 2. Eene plant , op het vaste land uit zaad verkregen. (Drie exemplaren van de zelfde plant mogen voor deze plant worden ingezonden.)

C. Nieuw ingevoerde planten voor de oranjerie of den vollen grond.

(Drie vragen.)

1. Eene verzameling (»Lot") van verschillende nieuwe

planten. 2. Eene verzameling van nieuwe planten uit een

enkel geslacht. 3. Plant ter versiering, onverschillig van

welk geslacht, welke soort of welke verscheidenheid.

< D. Planten voor de oranjerie of den vollen grond, op het

vaste land uit zaad verkregen.

(Vier vragen.)

1. Eene verzameling (»Lot") van verschillende planten. 2. Eene verzameling (»Lot") van houtige planten, welke uit- munten door haar bladertooi. 3. Eene verzameling («Lot")

< van soorten uit één geslacht. - 4. Eene plant , opmerkens- waardig* om hare bloemen of haar bladertooi.

Planten voor de warme kas (en wel naar aanleiding van de volgende 14 vragen:)

enz. enz.

Het geheele nader Programma , " waarvan het bovenstaande een uittreksel is , beslaat 44 pag. 4°.

GEMENGDE BERICHTEN.

In plaats van den onlangs overleden Hoogleeraar von Schlechtendal , is tot Professor in de Plantenkunde te Halle benoemd Dr. A. de Bary , tot hiertoe verbonden aan de Hoogeschool te Freiburg im Breisgau. Ook de redactie van de Botanische Zeitung is met 1867 van Schlechtendal overgegaan op Prof. de Bary. De plaats, te Freiburg opengevallen , zal worden ingenomen door Profr. Julius Sachs, tot hiertoe Hoogleeraar te Bonn.

In November van het afgeloopen jaar overleed te Berlijn de Hoogleeraar in de Pharmacognosie O. Berg, die zich o. a. verdienstelijk gemaakt heeft door de bewerking van de Myrtaceeën voor de Flora Brasiliensis van von Martius. De overledene hield zich tot in zijne laatste levensdagen bezig met eene bewerking der Melastomaceeen , maar mocht dien arbeid niet voleindigd zien.

In den «Gardeners Chronicle" wordt er op gewezen, dat Wettingtonia gigantea in Engeland eigenlijk niet ingevoerd is door den Heer Lobb , reiziger van de Heeren Veitch , maar wel door den Heer John Mathew van Gourdie-Hill bij Erol, die er zaad van zond aan zijn vader. Evenwel was Mathew Lobb slechts eenige weinige maanden vóór, daar de bezending van den eersten van Augustus, die van den tweeden van December 1853 gedagteekend was.

Aangaande het vermogen van W. gigantea om het in den vollen grond uit te houden, wordt meegedeeld, dat er, in de laatste 10 jaar, in Engeland van de 84 exemplaren van dien boom slechts 3 gestorven zijn en 21 in meerdere of mindere mate geleden hebben. In het zelfde tijdsverloop stierf

GEMENGDE BERICHTEN.

er in Schotland van de 35 exemplaren 1 , en leden er 5. De 3 in Ierland geplante exemplaren bleven allen in leven.

VERVOLG DER VERSCHEIDENHEDEN VAN PELARGONIUM ZONALE

EN INQUINANS,

OPGESOMD IN DE VORIGE AFLEVERING.

Graad van ver- Gebruik, dienste.

3.

2.

2.

.T. .T.

P.T. T.

2e Groep. KARMJMOODE.

1. Cardinal (Crousse) 1.

2. Ornement des inas-

sifs ( Crousse) 2.

3. Abondance (Kardy

(frères) 2. Impérial (Riehalet) 3. Triomphant (Bou-

langer) 3.

4. Amédée Achard

( Crousse) 1 . 5. Christian Déegen

(Lemoine) 1 . Hardy Gaspard

{Boucharlat) 1. Mad. Madeleine

{Lemoine) 2. Staatsrath Valher ( Weinrich)

6. Macrantha (Lia-

baud)

7. Lapêrouse (Ren-

datler) 8. Nardy frères (Pu-

tea ux- Chaimbault) Louis Roezeler

(Rendatler) Nora [W. Buil) Vuleain (Smith) 9. Victoire de Puebla (Ckardine) Herols of the spring Mad. Genisset

[Nardy frères) 2. P.T.

Graad van ver- dienste.

Gebruik.

10. M'. J. Meunier

(Lhuillier) 1. P.T. Bonnie Dundee

(TT. Buil) 2. P.T. Mad. Rudelphe Abel

(Crousse) 2. S.

3e Groep. R0ZER00DE. Eexkleürige.

1. Christinus (Babouil-

lard) 1. P.T. Mad. Ermens ( Vitte

de Paris) extra. S. B.OZEROODE MET EEN WITTEN NAGEL.

2. Beauté du parterre

(A. Dufoy) 1. P.T. Beauté de Suresnes

(Cassier) 2. P.T. Belle Pose (Ren- datler) 2. S. Gloire des Roses

( Varengue) 2. S. Rosé de Madrid

(Jarlot) 3. P.T.

3. Beauté d'Europe

(Crousse) 1. P.T. Gloire de France ' 3. P.T.

4. Rosé Rendatler

(Rendatler) 2. P.T.

5. Koetenen Sehreurer

(Hoek) extra. P.T. Mad. Noémie Le-

gendre (Paulin) 3. P.T.

ASTILBE RIVULARIS

I. BESCHRIJVINGEN VAN AFGEBEELDE PLANTEN.

ASTILBE RIVULARIS hahilt.

Astilbe rivularis is eene volle-grondsplant , die wij , op grond ouzer eigen ondervinding , gerustelijk als sierplant durven aanbevelen. Zij voldoet het best als men haar af- zonderlijk plaatst , b. v. hier en daar tusschen het gras , waar zij ruimte genoeg heeft om zich vrij uit te spreiden en niet gehinderd wordt in de ontwikkeling harer kolossale bladen.

Onze plant is afkomstig uit Nepal , en leeft daar aan de oevers van beeken in het gebergte Men kan hieruit wel afleiden dat zij , ook bij ons , geen gebrek aan water hebben moet ; en werkelijk luidt dan ook het voorschrift der kwee- kers , dat men haar des zomers rijkelijk behoort te begieten. Een weinig schaduw is daarbij tevens wenschelijk.

Astilbe rivularis behoort tot de familie der Saxifragaceeën of Steenbreken , aldus geheeten naar de eigenschap van som- mige harer soorten, in 't bijzonder die van het geslacht Saxifraga , om bij voorkeur op naakte rotsen te tieren , en zich met hare wortels in de spleten en sleuven der steen- massa's vast te hechten. Het denkbeeld, dat die spleten en sleuven een gevolg van het doordringend vermogen en de uit- zetting der wortels wezen zou , is onjuist , al kan het dan ook niet ontkend worden, dat wortels wel in staat zijn om belem- meringen, die zij soms al groeiend ondervinden, op te heffen.

Eene nadere beschouwing uu van onze plant , gedurende haar tijdperk van bloei , geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Vooreerst treft ons de sterk uitgespreide rozet van fraaie

ASTILBE RIVULARIS.

wortelbladen , die allen tot de samengestelde behooren , en , zooals men dit met een technischen term noemt, dubbel- drietallig zijn. Men verstaat hieronder, dat aan eene cen- trale spil een twee- of drietal paren zijtakken voor den dag komen , die dan eindelijk de blaadjes dragen , maar zóó , dat deze weder drie aan drie bij elkander gezeten zijn. De blaadjes zelven zijn , zooals dat uit onze plaat blijken kan , eirond van vorm, en hebben een gezaagden rand. Verder loopen zij spits toe en zijn zij duidelijk geaderd. Hunne kleur is sapgroen , maar met een rossen weerschijn , teweeg gebracht door tallooze roode haartjes , waarmee de geheele plant bedekt is. In de tweede plaats wordt onze aandacht getrokken door een drie- of viertal rijzige bloempluimen , die wel niet gezegd kunnen worden door kleuren te schitteren integendeel , met eene zeer neutrale bleekgele tint zijn be- deeld — maar dan toch door haar los voorkomen en hare sierlijk overhangende kruinen een aangenamen indruk te weeg brengen. De bloemen zelven zijn klein, maar buitengemeen talrijk , en bestaan uit een 4- of 5-deelig bloemdek (en dus niet uit een kelk en eene kroon , zooals bij vele andere Saxi- fragaceeën), 8 of 10 meeldraden en een stamper met een tweehokkigen eierstok en twee snavelvormige stijlen. De vrucht is eene veelzadige doosvrucht.

Van Astilbe rivularis bestond tot hiertoe geene afbeelding , hoewel zij reeds in 1825 door Don beschreven werd in zijne Flora Nepalensis. De plant behoort niet tot de reeds zeer lang bekende siergewassen , daar Endlicher in zijne Genera Planlarum (1840 1846) nog aangeeft, dat eene juistere kennis harer bloemen wenschelijk is.

A. rimdaris sterft 's winters tot op den grond toe af, maar blijft leven door een wortelstok. O.

De vraag, aan welke oorzaak de kleuren der bloemen toegeschreven moeten worden , kan wel is waar uit meer dan één oogpunt behandeld worden , maar zal ons voor het oogen- blik slechts in zóó verre bezig houden , als wij wenschen aan te toonen , welke anatomische verschillen , d. i. welke ver- schillen in den inhoud der kleinste deeltjes of cellen , waaruit de bloembladen zijn opgebouwd , aan het verschil dier kleu- ren ten grondslag liggen. Zooals elk plantendeel toch , be- staan ook de bloembladen uit mikroskopisch kleine blaasjes , van een uiterst teederen bouw, die, in alle richtingen stevig met elkander verbonden en in een grooter of kleiner aantal lagen onder elkander gelegen , ten laatste door een steviger vliesje of eene opperhuid van de buitenlucht zijn afgesloten. Die opperhuid bestaat eveneens uit blaasjes of celletjes , doch is slechts ééne laag dik ; waarbij nog komt , dat zij in den regel , al is het ook niet overal , dan toch op bepaalde plaat- sen, door kleine spleetvormige openingen doorboord is, die, te samen met de twee sikkelvormige cellen , waardoor zij zijn ingesloten, den naam van huidmondjes dragen. Bij bloem- bladen met een fluweelachtig voorkomen, zijn de celletjes der opperhuid naar buiten tepelvormig uitgezet , ten gevolge waarvan de oppervlakte van zulke bloembladen , onder het mikroskoop , uit eene opeenvolging van heuvelen en dalen schijnt te bestaan. In het inwendige der bloembladen loo- pen , van achter naar voren , eenige bundels van verlengde cellen en luchtvoerende buizen , die zich in alle richtingen vertakken , en een net van aderen vormen , dat , even als het skelet der stengelbladen , stevigheid verleent aan het geheel.

-

IETS OVER DE KLEUREN DER BLOEMEN.

De eerste vraag , die , bij liet bespreken van de oorzaak der kleuren bij de bloemen , zich opdoet , is deze , of het kleurende beginsel in de wanden der celletjes afgezet is , dan wel tot den inhoud dezer organen behoort. Het antwoord daarop is gemakkelijk en onvoorwaardelijk te g'even. De wanden der cellen zijn nimmer gekleurd, integendeel, altijd waterhelder , waaruit van zelf voortvloeit , dat het kleurend beginsel een deel van den inhoud der cellen moet uitmaken.

Eene andere vraag is , of de kleurstof in opgelosten of in vasten toestand verkeert , en in welken vorm zij , in het laatste geval , wordt aangetroffen. Hierop kunnen wij geen doorloopend passend antwoord doen hooren. Nu eens vinden wij haar opgelost , en de cellen alsdan met eene gekleurde vloeistof gevuld ; dan eens doet zij zich iu de gedaante van vaste korrels of staafjes voor, in eene waterheldere vloeistof opg-eheven. Enkele voorbeelden slechts zijn bekend van een derde geval , waar gekleurde korrels in eene gekleurde vloei- stof zwevend worden aang-etrofFen.

Wij willen tlians de verschillende kleuren afzonderlijk be- spreken , en zien wat het anatomisch onderzoek daaromtrent aan het licht heeft gebracht.

Blauw. Het blauw is eene hoofdkleur , d. i. eene zoo- danige , die niet uit de menging van twee anderen is voort- gesproten. In verreweg de meeste gevallen wordt de blauwe kleurstof in opgelosten toestand aangetroffen, of zijn, m. a. w. de cellen van blauwe bloembladen met eene blauwe vloeistof gevuld. Voorbeelden van dit geval vinden wij o. a. bij Anemone Hepatica, Linum nsitatissimum, Nemophila insignis , verscheidene soorten van Veronica en Sollya, Borago ojfici- iialis, Pulmonaria virginiana, soorten van Jfgosotis (Vergeet mij niet), Centaurea Cyanus (de Korenbloem), enz.

Het omgekeerde, dat nl. bij blauwe bloemen blauwe

"^

IETS OVEU DE KLEUHEX DEK BLOEMEN.

<

lichaampjes in eeu ongekleurd vocht zweven, komt veel zeld- zamer voor, ja, is tot hiertoe bij niet meer dan twee planten waargenomen , te weten bij Strelitzia Reginae en Tillandsia emoena. Bij eerstgenoemde plant vindt men de opperhuids- cellen der binnenste bloembladen met een kleurloos vocht gevuld, en de blauwe korreltjes daarin aan den omtrek der celholte afgezet. De grootte dier korreltjes bedraagt hier niet meer dan ^ millim. Toch maakt de kleurstof van haar slechts een onderdeel uit ; want als men de blauwe bloem- bladen van Strelitzia óf onder water kneust, óf met alcohol uittrekt , dan ontdekt men dat de kleurstof in het vocht wordt opgelost, en dat kleurlooze lichaampjes achterblijven. Van de blauwe korreltjes in de bloembladen van Tillandsia amoena valt niet anders mede te deelen dan dat zij eene middellijn hebben van Tjff 7?ö millim. In andere opzichten komen zij met die van Strelitzia Reginae overeen.

Violet. De violette kleur , te weeg gebracht door eene menging van blauw en rood , komt , evenals het blauw , meest in opgelosten toestand voor , zooals men dat bij de Violen ( Viola odorata) , bij Nemophila atomaria , Epimedinm violaceum , enz. , zien kan. Slechts zeer enkel wordt in de violette vloeistof der afzonderlijke cellen bovendien een violet kogeltje waargenomen (Gilia tricolor).

Rood. Men heeft hier te onderscheiden tusschen het roze- en het hoog- of vuurrood. De eerste kleur, eig-en aan de bloemen der roode Rozen , die van Habrothamnus elegans, Anemone japonica, Dahlia variaèilis, Hyacinthus orientalis, enz., is altijd afhankelijk van eene gekleurde vloeistof, maar niet alzoo de laatste. Wel treft men ook bij Cydonia jayonica ', Lychnis chalcedonica , Phaseolus multijïons , Pelargoniuvi zonale , die allen hoogroode bloemen hebben , geene andere dan eene hoogrood gekleurde vloeistof in de

IETS OVER DE KLEUREN DER BLOEMEN.

bloembladen aan , maar er zijn toch ook gevallen bekend , waar die kleur, hetzij door eene waterheldere vloeistof met daarin opgeheven korreltjes , hetzij door eene roode vloeistof met een rood centraal lichaampje wordt te weeg gebracht. Van het eerste leveren ons de bloemen van verschillende soorten van Aloë, zooals A. subverrucosa en A. incurva, en die van Adonis autumnalis , van het tweede de bloemen van Verbena chamaedryfolia een voorbeeld.

Oranje. Bij de meeste oranjekleurige bloemen vindt men in de cellen der bloembladen gele korrels drijven in een rood sap , waarbij echter valt op te merken , dat die korrels geenszins altijd kogelrond zijn , maar ook dikwerf den vorm van staafjes hebben. Uitzonderingen op den zooeven gestel- den regel komen echter voor bij eenige verscheidenheden van Dahlia variabilis, bij 3Iesembryanthemum verruciilatim en Crocus savianiis , waar een oranjekleurig vocht zonder vaste lichaampjes wordt aangetroffen , en verder bij de bloembla- den van Cajophora lateritia, Zilium chalcedonicum , Thun- bergia aurantiaca, Calendula officinalis, Erysivmm periscia- mirn, Dyckia remotijiora en Strelitzia Regime, waar eene kleurlooze vloeistof oranje korrels houdt opgeheven.

Geel. De gele kleur is slechts zelden aan eene gele vloeistof gebonden (gele verscheidenheden van Dahlia varia- bilis) ,• meest daarentegen aan gele korrels, drijvend in een waterhelder vocht. In vele gevallen is het zeer moeilijk uit te maken , of die korrels door en door vast , of eigenlijk slechts blaasjes zijn , waarin eene gele vloeistof is opgesloten. Nogtans schijnen de bloemen van Edwardsia grandiflora en Gilia tricolor in hare cellen werkelijk grootere , die van Kerr'm japonica , Tulipa sylvestris, Oentiana hitea , Tulipa suaveolens , Russelia jmicea, Fritülaria imperialis, Cheiran- thiis Cheiri , Hemerocallis fulva , enz. , kleinere vaste korrels

4J

c

IETS OVER DE KLEUREN DER BLOEMEN.

te bevatten. Bij Eranthis hyemalis , Limtm Irigynum , Hib- bertia dentata en Sternbergia lutea heeft men , omgekeerd , werkelijke blaasjes als de draagsters der gele kleurstof aan- getroffen.

Een overgang van den vloeibaren tot den vasten toestand der gele kleurstof, leert men kennen bij de bloemen van ver- schillende soorten van Acacia, zooals A. floribunda , A. Bent- hami, A. imbricata, A. dealbata , enz., dewijl de cellen hier gevuld zijn met eene kleverige vloeistof, waarmee de gele kleurstof vereenzelvigd is.

Groen. Ofschoon het groen onder de kleuren der bloe- men eene zeer ondergeschikte rol speelt, zoo komt het toch hier en daar , hetzij dan in den vorm van vlekken of strepen (zooals bij het Sneeuwklokje) , hetzij als hoofdkleur voor (Evonymus , Scleranthus, Paris). Men vindt het, evenals bij de bladen , op ééne uitzondering na , aan vaste korrels ge- bonden , in een kleurloos vocht opgeheven. Die uitzondering betreft eene verscheidenheid van Medicago saiiva, welker groene bloemen geene andere cellen bevatten dan die met eene groene vloeistof gevuld zijn. Het verdient opmerking, dat, ofschoon groen eene gemengde kleur is , men in het weefsel der bloem- bladen toch nimmer het geel en blauw afzonderlijk aantreft.

Bruin. Het bruin ontstaat meestal doordien twee lagen

Ïvan cellen , elke met eene andere dan de bruine kleurstof gevuld , elkander dekken , en op het netvlies te samen den indruk van bruin te weeg brengen. Des te opmerkelijker zijn daarom die gevallen , waar de genoemde kleur zelfstan- dig optreedt, en dit nu heeft plaats bij Neottia Nidus avis, verschillende soorten van Delphiniitm en Vicia Faba (de Tuinboon). De eerste dier planten , eene Orchidee , is in al hare onderdeden bruinachtig, en is die kleur aan bruine spoelvorniige lichaampjes verschuldigd , opgeheven in een

V.

Andere kleuren dan de tot hiertoe opgesomde komen , zelf- standig- , bij de bloemen niet voor. Treft men ze aan , dan moeten zij aan de samenwerking van een paar andere, in twee onder elkander gelegen lagen van bet zelfde weefsel afgezet , worden toegeschreven. Het wit van vele bloemen hangt van geene kleurstof af. De cellen van witte bloem- bladen zijn met eene waterheldere vloeistof gevuld, en be- vatten ook geene korrelige afzetsels van eene witte kleur.

Men zou thans nog, en te recht, de vraag kunnen oppe- ren , of de kleurende stof hij de bloemen enkel in de meer oppervlakkige, of ook nog in de diepere lagen cellen wordt aangetroffen , zóó b. v. dat men het geheele weefsel als ge- kleurd zou kunnen aanmerken. Ook zou men de mogelijkheid kunnen vooronderstellen , dat alleen het inwendige gedeelte

£ der bloembladen bevoorrecht , en naar buiten door kleurlooze

.... lagen was afgesloten. Wij moeten hierop antwoorden , dat

alle drie die gevallen voorkomen , maar dat dau toch eene

gelijkmatige verdeeling van de kleurstof over het gansche

46

:

IETS OVER DE KLEUREN DER BLOEMEN.

kleurloos vocht. De beide anderen daarentegen doen de bruine tint alleen aan hare bloemen bespeuren, en wijken daarenboven van Neottia af, doordien hier geene vaste lichaampjes, maar wel eene bruine vloeistof in de cellen wordt aangetroffen. Misschien zijn er onder onze Lezers, die zich niet herinneren , aan de bloemen der Tuinboon immer eene bruine , maar wel eene zwarte vlek te hebben waarge- nomen. Aan hen zouden wij wenschen onder het oog te brengen , dat het toch die zwarte vlek is , welke wij zoo even op het oog hebben gehad, maar dat het mikroskopisch onder- zoek leert , dat dat zwart geen zwart , maar slechts een uiter- mate donker bruin is. De zwarte kleur komt bij bloemen niet voor.

IETS OVER DE KLEUEEN DEB BLOEMEN.

weefsel der bloembladen tot de zeldzamere verschijnselen be- hoort. Men heeft ze. evenwel hier en daar, vooral bij oranje bloemen aangetroffen , zooals bij die van Strelitzia Reginae, JJijcJda, remotiflora, Liliwm chalcedonicum.

Talrijker voorbeelden bestaan er van bloemen , wier cel- len , laagswijze , hier met de eene , en daar met eene andere kleur bedeeld zijn , zoodat men , de eene kleur door de andere ziende heenschemeren , daardoor den indruk krijgt van eene gemengde kleur , die echter , op zich zelve , nergens in het weefsel te vinden is. Zeer vele bruine en vuurroode bloemen verkeeren in dit geval. Zoo vindt men b. v. bij Scopolina atropoides , wier bloemen uitwendig bruin zijn , eerst eene laa«- cellen met een zuiver-violet vocht en groeno-ele

O Do

korrels , en daaronder meer anderen met een waterhelder vocht en weder van die groengele korrels , maar nergens iets bruins , waaruit volgt , dat dat violet en het groengeel op ons netvlies den indruk van bruin te weeg brengen. Bij de bloemen van Asarum europaeum , Anona triloba en Calycan- thiis Jloridus wordt het bruinrood der binnenzijde door eene violette vloeistof in de meer oppervlakkige , en groene korrels in de diepere , bij Muscari comosum door eene gele vloeistof in de meer oppervlakkige en eene violette vloeistof met gele korreltjes in de diepere te weeg gebracht.

Bij de meeste bloemen vindt men de kleurstof alleen in de buitenste cellen-lagen , somwijlen zelfs , zooals bij Anemone Hepatica , Salcia Heeri , Pelargoniwm zonale , Nemopliila in- signis, verschillende soorten van Verbena, de blauwe bloem- bladen van Strelitzia Reginae , enkel in de allerbuitenste laag afgezet. Hier nu kan het voorkomen , dat , zooals bij de zoo even genoemde planten , de cellen der opperhuid slechts ééne , maar ook dat zij twee verschillende kleurstoffen bevatten , waarvan dan de eene altijd in korreligen staat verkeert. Van

IETS OVER DE KLEUREN DER BLOEMEN.

het laatste vinden wij een voorbeeld bij Cheiranthus Cheiri, Tagetes pumila , Coreopsis delphiniifolia , de bruine verschei- denheid van Tropaeolum minus , waar oranje ; en bij Adonis vernalis , Bletia Tankerviliae , Lotus jacobaens , waar gele kor- reltjes of staafjes in eene violette vloeistof drijvend worden aangetroffen.

Het grauw van vele 7m-bloemen wordt eveneens door een samentreffen van gele korreltjes en een blauw of violet vocht in de zelfde oppervlakkige cellen te weeg gebracht, en de vele nuancen , welke dat grauw doet bespeuren , zijn enkel een gevolg hetzij van verschillen in de menging van het geel en het blauw (of violet) , hetzij van de meerdere lichtheid of donkerte , aan die samenstellende kleuren eigen. Het bruin- rood wordt door de gelijktijdige aanwezigheid van gele of oranje korreltjes en een rood of violet vocht , en het vurig rood en vurig oranje door de samenwerking van rood met geel of oranje veroorzaakt.

Eindelijk deelen wij nog mede , dat een voorbeeld van het zeldzame geval, waarin de oppervlakkige cellenlagen kleur- loos en slechts de diepere gekleurd zijn, voorkomt bij Eche- veria campamdata en E. fulgens , Lachenalia quadricolor en Pvdmonaria virginiana. Bij eerstgenoemde drie planten volgt er aan beide zijden, van buiten afgerekend, op de kleurlooze laag eene gekleurde (blauwrood vocht met gele korrels) , en op deze weder eene kleurlooze , doch bij laatstgenoemde is , met uitzondering alleen van de beide buitenste cellenlagen , het geheele weefsel met eene blauwe vloeistof doortrokken.

Vatten wij nu al het voorgaande samen , dan komen wij tot deze gevolgtrekkingen :

1°. dat de kleur der bloemen nimmer aan den wand , maar altijd aan den inhoud der cellen gebonden is ;

2°. dat het blauw , violet en rozerood soms ook het

IETS OVER DE KLEUREN DER BLOEMEN.

hoogrood elk afzonderlijk te weeg- worden gebracht door eene blauwe, violette of roode vloeistof;

3°. dat het geel , oranje en groen in den regel door vaste lichaampjes gedragen worden of in blaasjes besloten zijn ;

4°. dat het bruin en grauw , en meest ook het vuurrood en oranje , door de vereeniging van twee andere kleuren wor- den voortgebracht , en wel : het bruin en grauw uit geel en violet, of groen en violet, of oranje en violet, of groen en rood ; het vuurrood en oranje uit blauwachtig rood en geel of oranje ;

5°. dat het zwart nergens in bloemen voorkomt, en, waar het zich schijnt te vertoonen , altijd eene zeer donkere nuance eener andere kleur blijkt te wezen ;

6°. dat de verschillende cellenlagen der bloembladen slechts bij uitzondering gelijkelijk met kleurstof bedeeld zijn ;

7°. dat de kleurstof meestal in eene of eenige der opper- vlakkige cellenlagen afgezet is ;

8°. dat slechts bij uitzondering de kleurdragende cellenlaag door eene kleurlooze bedekt is ;

9°. dat de menging van kleuren óf op de gelijktijdige aanwezigheid van twee verschillend gekleurde stoffen in de cellen afzonderlijk , óf op de verdeeling daarvan over verschil- lende cellenlagen berust. O.

III. BOEKBESCHOTJWINGEN.

Dezer dagen ontvingen wij het verslag van de in 1866 te Londen gehouden internationale bloemententoonstelling en het daaraan verbonden botanisch congres een lijvig boekdeel van 428 bladzijden, waarin, behalve alles wat op de tentoonstelling zelve betrekking' had , nog een tal van

BOEKBESCHOUWINGEN.

meer of minder belangrijke verhandelingen of mededeelingen staan opgeteekend, meer bepaaldelijk op het congres behan- deld, of althans bestemd geweest om daarop behandeld te worden. Het komt ons niet ongepast voor , van die mede- deelingen een kort verslag te geven , althans voor zoo ver wij begrijpen, dat de Lezers van ons tijdschrift daarin belang kunnen stellen.

1 . Observations on the temperature of water , and its effects upon plant cultivation , bij James Anderson , gardener. De Hr. Anderson verklaart hier, dat hij , na lang gesukkeld te hebben met de kweeking van verschillende soorten van Saccolabinm , Phalaenopsis en Aërides , en over het algemeen van al die Orchidaceeën , welke men gewoon is tot de onder- afdeeling der Vandeae te brengen , eindelijk op het denkbeeld kwam of het water, waarmede hij zijne planten begoot, ook te koud zou kunnen wezen. Door het gebruik van den ther- mometer , kwam hij tot de kennis , dat werkelijk tusschen de temperatuur van zijne kas en die van het gebezigde water een verschil ten nadeele van het laatste van 10D bestond, en dit gaf hem aanleiding om te beproeven of hij , door warmer water te bezigen, gelukkiger uitkomsten zoude kunnen verkrijgen. Zijne hoop werd niet alleen niet bedrogen , maar zijne verwachting verre overtroffen , en dat niet alleen ten opzichte van de Orchidaceeën der warme , maar ook van die der koudere kas.

Ten gevolge van velerhande proeven is de Hr. A. tot het besluit gekomen , dat alle potplanten met water begoten moe- ten worden, dat ten minste warmer is dan de atmospheer waarin die planten leven , en dat dit verschil , voor Orchida- ceeën der warme kas, zelfs tot 10° behoort te klimmen. (Ofschoon de S. het niet vermeldt , meenen wij toch , dat hij geene andere dan graden van de FAHRENHEiTsche schaal be-

BOEKBESCHOUWINGEN.

/

l

doelt). De S. was dan ook reeds sedert eenige jaren gewoon , de pijpen van zijn waterketel met den waterbak in de kas in verbinding" te stellen , om zoo doende , zonder meer kosten en omslag, voortdurend over warm water te kunnen beschikken.

Naar aanleiding van de mededeeling des Heeren Ander- son, maakte Prof. Reichenbach uit Hamburg de opmerking, dat het zeer wenschelijk was, dat men zich op de studie van alle omstandigheden bleef toeleggen j die invloed op kas- planten kannen uitoefenen. Zoo kende hij eene kleine Or- chidaceeënkas in den tuin van het paleis te Dresden , waar bijna geene plant uit die familie gekweekt kon worden zonder dubbele bloemen te krijgen , en eene andere in den botani- schen tuin te Brussel, waar alle Orchidaceeën door het langer worden harer stengelleden , het krimpen harer bladen en bloemtrossen , enz. , geheel van houding veranderden en "on- kenbaar werden. Gebrek aan licht scheen te Brussel te moeten worden beschuldigd, maar waar het de planten te Dresden aan haperde , wist nog niemand te zeggen.

2. Cool vinerij Orchids bij Robert Warner. In deze mededeeling- herinnert de Heer Warner , hoe eene middel- matige temperatuur dikwerf voldoende of zelfs noodzakelijk is om een niet onaanzienlijk getal Orchidaceeën tot krachtige ontwikkeling en weligen bloei te nopen. Nimmer zag hij zijne Lycastés, verschillende Odontoglossums (O. grande, pul- chellum, etc), Arpophyllnms , Pleione lagenaria, verschil- lende Cattleya's, zoo voortreffelijk gedijen, als nadat hij haar eene gewone druivenkas tot verblijf had aangewezen. De Wijnstok zelf temperde met zijn loof en zijne bloem- en vrucht- trossen de kracht van het zonlicht , en maakte de aanwending van andere schutmiddelen overbodig. Des zomers is er in zulke kassen geene kunstwarmte noodig, en even min in warme lente- en herfstdagen ; maar des winters behoort de

BOEKBESCHOUWINGEN.

temperatuur daarin op 45° 50° F., en, als het zeer koud is, iets lager, maar toch nimmer beneden de 40° F. gehou- den te worden. De Heer W. was alleen in bewolkte of koude voor- en najaarsdagen gewoon eene geringe verwar- ming in zijne kassen aan te brengen , doch niet meer dan noodig was om de vochtigheid te doen opdroogen , door het begieten veroorzaakt. De ventilatie was zoodanig aangebracht , dat de buitenlucht (in warme dagen) over de bladen heen- trekken en hun eene schommelende beweging kon mededeelen. Evenals de Heer Anderson (zie de mededeeling N°. 1) was ook de Heer Warner gewoon, zijne planten nimmer anders dan met water te begieten, dat 10° F. hooger was dan de lucht , waarin zij leefden. Opmerkelijk was ook de verzeke- ring van den Heer W. , dat zijn Wijnstok hem jaarlijks zoo- veel aan druiven opleverde , als de helft van het bedrag , dat hij tot het bouwen van de kas had uitgegeven ; eindelijk , dat hij zijne Cattleya's 's winters naar een ander lokaal over- bracht , waar zij het warmer hadden dan voor de Lycasté's en Odontoglossums noodig was.

3. The culture of fruit in miheated glass-structnres bij Thomas Rivers. Eene zestienjarige ondervinding deed den Heer Rivers de pen opvatten ter aanbeveling van het kwee- ken van allerhande soorten van vruchtboomen in daartoe geschikte gebouwen of kamers, zonder aanwending van eenige kunstwarmte, en zóó, dat de boomen niet als leiplanten be- handeld , maar hun , hetzij in potten of in den vollen grond , eene vrije ontwikkeling naar alle zijden worde toegestaan. Vroeger meende men , dat het aanleggen van zulke overdekte boomgaarden ondoenlijk, in elk geval onraadzaam was ; maar de ondervinding heeft de ongegrondheid der bezwaren , ten nadeele van die inrichtingen verkondigd , te niet gedaan , en o. a. tot het besluit gevoerd, dat het klimaat van een over-

) >

B0EKBESCH0UWINGEN.

dekten boomgaard dat der meest begunstigde streken van Europa óf zeer nabij komt , óf zelfs overtreft , in zoo verre men nl. in zulk een glazen gebouw noch voor nachtvorsten in het voorjaar, noch voor storm en regen in het najaar be- hoeft te vreezen.

De afmetingen, door den Heer R. als de beste voor over- dekte boomgaarden aanbevolen, zijn die van 24 voet breedte, 15 voet hoogte in het midden en 6 voet hoogte aan de beide zijden ; kleinere gebouwen zijn niet zoo vorstvrij in het voor- jaar. Men kan ze echter van b. v. 14 voet breed, 12 voet hoog in het midden en 5tj voet hoog aan de beide zijden laten vervaardigen , als men dan maar , bij vriesweder in het voorjaar, voor pannen met gloeiende houtskool zorgt. De ventilatie heeft plaats door middel van een paar voor afslui- ting vatbare openingen , in het midden van eiken zijmuur , en een paar andere kleinere , aan de beide uiteinden van het dak aangebracht. De laatsten behoeven bij gebouwen van grootere afmetingen nimmer, doch bij kleinere, gedurende vriezend weder in het voorjaar, wel te worden afgesloten.

Perziken kweekt de heer Rivers én in pot , én vrij in den grond. Voor de exemplaren in potten (van 15 18 Eng. duim middellijn) kiest hij den pyramidevorm. In de laatste week van October geeft hij zijne planten een mengsel van taaie klei en mest , na alvorens de meest oppervlakkige laag grond tot op eene diepte van 5 duim te hebben weggenomen. Van het midden van November tot het be"ïn van Maart wordt er niet gegoten , en dit is , zegt de S. , eene zaak van zeer hoog gewicht. Nog wijst de Heer Rivers op de nood- zakelijkheid, de Perziken gedurende de zomermaanden wat extra-voed sel te geven , en dit , in eene laag van 3 duim dik aan den rand der potten , zoodanig aan te wenden , dat er eene soort van kom gevormd wordt , waarin het gietwater

53

BOEKBESCHOUWINGEN.

kan worden opgevangen. Het beste mengsel , voor deze ope- ratie aan te wenden, bestaat, volgens den heer R. , uit gelijke deelen paardenvijgen en moutpoeder, tot eene pap gemaakt met vloeibaren mest.

Voor Perziken in den vollen grond is een harde kalkhou- dende bodem allernoodzakelijkst , zóó dat 10 d. gewone aarde met 1 deel krijt behooren gemengd te worden om op een goeden uitslag te kunnen hopen. Bij het planten der boomen moet de zoo gevormde grond met eene dunne laag mest bedekt en dan 20 duim diep omgespit worden. Verder begiet men het jonge plantsoen niet te dikwijls en laat men het eene week aan zich zelf over. Daarna wordt de bodem met een handblok vastgestampt , om nimmer weder losgemaakt te worden. Ten hoogste is het geoorloofd om daarin in het begin van Maart ondiepe gaatjes te prikken met een vork, hem dan te begieten , en eindelijk met eene 1 duim dikke laag gerotten mest te bedekken. Niets is, volgens den Heer R. , voor de wortels der Perziken nadeeliger , dan den grond los te woelen. Hij zag eenmaal een zeer goed onderhouden overdekten boomgaard van die planten geene enkele vrucht zetten , maar alle bloemen afwerpen , ten gevolge van de omstandigheid, dat men den grond, hoewel uiterst voorzich- tig, 6 duim diep had omgewoeld. O.

( Vervolg hierna).

IV. GEMENGDE BERICHTEN.

Bij den Heer C. G. van der Post te Amsterdam zal eer- lang het licht zien de le aflevering van het Herbarium van Nederlandsche Planten , uit te geven door de Heeren Oude- mans en Knuttel.

V_

+J.

Groningen, J li Wolters

i'luorui)liÜi vEmnk.v 1

TAXUS BACCATA VAR. FASTIGIATA Loud.

TAXUS BACCATA

VAR. FASTIGIATA LOUI).

Deze verscheidenheid van den gewonen Taxishoom onder- scheidt zich door een fraai pyramidevormig voorkomen, een gedrongen groei, gepaard met de neiging om vooral in de hoogte, doch niet in de breedte, uit te groeien, en eindelijk door lange bladen, die niet in twee rijen geschaard, maar onregelmatig verspreid staan.

Taxus baccata zelve wordt vrij algemeen in tuinen gezien en is licht te herkennen aan haar roodbruinen stam en hare afwisselend in twee rijen geplaatste, kort gesteelde, stijve, glanzig-donkergroene bladen, die niet langer worden dan f— IA P. dm. en niet breeder dan P. dm. In vele opzichten is deze boom zeer merkwaardig. Zoo o. a. om zijn langzamen groei , den hoogen ouderdom dien hij bereiken kan een ouderdom van duizenden jaren; de duurzaamheid van zijn hout, dat in hardheid met het ebbenhout wedijvert; het eigenaardige roode hulsel zijner zaden en niet het minst om zijne vergiftige eigenschappen, waardoor hij zoowel voor menschen als voor vee zeer gevaarlijk kan worden.

De Taxisboom is een gewas, dat in de bergwouden van Midden- en Zuid-Europa en Midden- en Noord-Azië, op eene hoogte van 1000-4000 P. voet boven de zee, in oorspron- kelijken staat wordt aangetroffen. Hij komt het best op een kalkachtigen bodem voort.

TAXUS BACCATA.

Men kent van den Taxisboom, behalve de door ons afge- beelde, nog wel een veertiental andere verscheidenheden. Onze verscheidenheid komt ook wel onder de namen Taxus baccata hibemica (Hort.) , Taxus hibemica (Hook.) en Taxus fastigiata (Lindl.) voor. De Heer J. H. Krelage was zoo goed , ons in de gelegenheid te stellen , van haar , naar een levend voorwerp in zijn bezit, eene plaat te doen ver- vaardigen.

O.

H. WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

IETS OVER DE RANKEN OF KLAWIEREN DER KOMKOMMERACHTIGE PLANTEN (CUCURBITACEEËN).

De ranken , die bij zeer vele planten aangetroffen en als werktuigen beschouwd kunnen worden, waarmede stengels en takken het vermogen bekomen om zich aan andere voor- werpen vast te hechten (men denke slechts aan de gewone tuin-Erwt) , doen zich als draden voor , die spiraalswijs ge- wonden en veerkrachtig zijn , en derhalve , na uitgerekt te zijn geworden , tot hun vroegeren toestand wederkeeren , als

men ze op nieuw aan zich zelven overlaat. Men zou echter verkeerd doen met te meenen , dat de ranken oorspronkelijke of zoodanige organen waren , die met de stengels en bladen op gelijke lijn konden worden gesteld; integendeel, op gron- den , die wij hier niet nader uiteen kunnen zetten , is het den kruidkundigen gebleken , dat eene rank of klawier altijd de plaats inneemt van een ander werktuig, en dus als daaruit afgeleid behoort beschouwd te worden.

Nu echter is het niet altijd even gemakkelijk , te zeggen , voor welk orgaan de rank in de plaats is gekomen , en zoo deze vraag- voor de met klawieren bedeelde gewassen in het algemeen tot zeer verschillende antwoorden heeft aan- leiding gegeven, zeker is het, dat zij voor de Cucurbita- ceeën eene reeks van uiteenloopende verklaringen heeft uit- gelokt.

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

De Italiaan Tassi hield de ranken der Cucurbitaceeën voor verarmde wortels, eene meening, die, met Let oog op de vele gevallen waarin ware wortels uit de oksels van bladen worden voortgebracht , wel zou kunnen verdedigd worden , indien niet de geheele gang der ontwikkeling bij die kla- wieren van dien der wortels verschilde. Door Seringe, A. Braun , Gasparrini en Clos werden de ranken der kom- kommerachtige planten voor verarmde bladen en steunbladen, en door Fabre , Payer , Lestiboudois , Guillard , Naudin en C/Ha/riN voor vervormde takken gehouden.

Ten voordeele van de juistheid der laatste meening pleiten twee omstandigheden, nl. 1°. de overeenkomst in bouw tus- schen meergenoemde ranken en de bloemstengels der planten waartoe zij behooren , in eene uitvoerige verhandeling aan- gewezen door CHaTiN , en 2°. de omstandigheid , dat men , in den laatsten tijd , aan die ranken hoogst enkele malen bloemen en vruchten heeft aangetroffen. AVaar de ranken vertakt zijn , beschouwt CHaTiN de takken óf als herhalingen van den hoofdstengel , of als plaatsvervangers van schut- bladen of onderdeelen der bloem.

IDENTITEIT VAN IRIS SPECTABILIS EN IRIS XIPHIUM. I

>

In de «Revue Horticole" van 1G Maart 1867 wordt door den Heer Truffaut , kweeker te Versailles , de leer verkon- digd , dat Iris spectaèilis en Iris XipMwm , hoe verschillend ook in uiterlijk , nogtans één zijn. Tot dit besluit werd genoemde kweeker geleid door de omstandigheid , dat hij , bij het zaaien van /. spectabilis , altijd slechts zeer weinig exemplaren van deze soort, maar zeer vele van I. Xiphium bekwam , zoodat hij voor zich overtuigd is , dat I. spectabilis

JV'V'^^

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

niets anders is dan eene verscheidenheid , door toeval uit I. Xipliium voortgesproten.

IETS OVER HET ENTEN OP WORTELS.

In Zuid- Amerika wordt, ter vermenigvuldiging van zeer vele planten , dikwerf van wortels gebruik gemaakt. Voor boomen gaat men daarbij o. a. aldus te werk , dat men van het eene exemplaar een zeker aantal takken van bepaalden ouderdom afsnijdt , maar te gelijker tijd een ander exemplaar ontwortelt , en nu die wortels , welke met de afgesneden takken ongeveer de zelfde dikte gemeen hebben , verzamelt. Nu wordt de enting tusschen die takken en wortels, welke het best bij elkander komen , volbracht ; de verwonde plaats met eene soort van ondoordringbaar doek omgeven , opdat zij voor de vochtigheid van den bodem niet toegankelijk zoude zijn , en eindelijk het nieuwe individu in den grond gezet. Voor planten voor den vollen grond wordt de enting liefst in het voorjaar bewerkstelligd.

In Frankrijk werd deze wijze van handelen nagevolgd door den Heer Delchevallerie , en wel in de eerste plaats voor kasplanten , en die welke zich niet of moeilijk van stek lieten kweeken. De operatie gelukte hem volkomen bij Cojfea arabica, Nauclea undulata , Strychnos colubrina, Aralia trifoliata , leptophylla en crassifolia en de Rosé du Rol. Voor het welslagen der onderneming is het noodig , dat men de enting met zorg volbrenge , en de verwonde deelen zoo kort mogelijk met de lucht in aanraking doe blijven; verder, dat men gezonde wortels kieze, van eenige takken voorzien (Revue horticole, 1867, pag. 89).

( Vervolg van bh. 54.)

Ook over de kuituur van Abrikozen in den vollen grond, maar in daartoe ingerichte glazen gebouwen , werden door den Heer Rivers belangrijke mededeelingen gedaan , zooals blijken kan uit zijne verzekering' , dat de vruchten , door hem geteeld , zoo saprijk , zacht en geurig waren , dat zelfs geen Perzik daarmee vergeleken kon worden. Vreemd ge- noeg, verklaarde de Heer R., dat men de volle grond- Abrikozen zooveel mogelijk aan zich zelven moet overlaten , en vooral niet bevreesd behoeft te wezen , dat zij door weinig zorg achteruit zouden gaan.

Voor Abrikozen in potten kiest de Heer R. boompjes van 3 4 jaar, en potten van 15 18 duim middellijn. De laatsten worden gevuld met een mengsel van klei en mest, en , indien de klei geene kalk bevat , met '/,„ gedeelte krijt. Daarna wordt de massa stevig , maar niet te ruw , aange-

deze laatste handeling wordt door den Heer R. groot ge- wicht gelegd. Zijn de vruchten nu zooveel gezwollen als

stampt. De laatste begieting der boomen heeft medio No- vember plaats , en wél eene week lang driemaal daags. Dan volgt er eene periode van rust , welke zich uitstrekt tot het begin van Maart, d. i. ongeveer den tijd, waarop de bloem- knoppen beginnen te zwellen. Nu wordt er weder ruim begoten , doch de planten daarna volkomen aan zich zelven overgelaten, tot de vruchtzetting heeft plaats gehad, en de abrikozen de grootte eener paardeboon bereikt hebben. Op

BOEKBESCHOÜWINGEN.

wij hebben aangegeven , dan wordt de oppervlakte van den grond tot op ] duim diepte voorzichtig losgemaakt, en met eene nieuwe laag van het hierboven aangegeven mengsel bedekt , doch zoo , dat die laag aan den omtrek van den pot

3 duim hoog- zij en hellend naar den stam toeloope, opdat in de dus gevormde komvormige uitholing het gietwater kunne worden opgevangen. Bij warm weder kan er dage- lijks begoten worden. Heeft de toevoeging van eene nieuwe laag kompost plaats gehad in het begin van Mei, dan moet het zelfde in Juni en Juli herhaald worden. Draagt de boom zeer rijkelijk , dan kan men óf wat de voorkeur verdient de vruchten wat dunnen , èf door middel van een stuk lei , dat tusschen deu pot en de daarin vervatte aarde wordt ingestoken , eene gleuf maken , wijd genoeg om eene buitengewone toevoeging van het voedende mengsel te ontvangen.

De beste vorm voor Abrikozen in een overdekten boom- gaard is de hoogstammige , onder dien verstande , dat de kroon 5 voet boven den grond zich beginne te ontwikkelen , en de stammen onderling 10 voet van elkander verwijderd staan. Voor Abrikozen in potten verdient de pyramidevorm de voorkeur. Zulke opgepotte exemplaren kunnen , overal waar slechts de ruimte zulks toelaat , tusschen de hoogstam- mige worden neergezet. In kweekhuizen van geringer afme- tingen kan men met eene hoogte van 3 voet voor de hoog- stammige exemplaren volstaan , en voor de potplanten laag- stammige individuen kiezen , met stammetjes van 1 voet hoog en eene kogelronde kroon.

Gedurende den bloeitijd moet men de Abrikozen veel ver- sche lucht geven , indachtig aan deze daadzaak , dat ge- noemde planten in dat tijdperk veeleer eene koude van 3 of

4 graden verdragen , dan een oponthoud , ook slechts van

BOEKBESCHOUWINGEN.

Amerika zijn reeds vele van die gebouwen opgericht, en neemt hun aantal nog jaarlijks toe.

4. Dessert Orange Culture by Thomas Rivers. De zelfde Heer Eivers , -waarmede wij in het vorige artikel ken- nis hebben gemaakt , deelde in een tweede zijne bevindin- gen mede aangaande het kweeken van Oranjes, door hem op groote schaal beproefd en met den besten uitslag be- kroond. De lokalen , aan de kuituur dier vruchten gewijd , zijn 24 voet breed en 15 voet hoog in het midden , tegen 6 aan de beide zijden. Zij worden door 8 heet-waterpijpen , elk van 4 duim middellijn , en vier aan vier tegen elk der beide zijwanden bevestigd , verwarmd , aangezien de noodza- kelijkheid gebleken was , tot het bekomen van rijpe en sma- kelijke appelen , de lokalen het geheele jaar door kunstmatig op de zelfde temperatuur te houden. Kassen van 5^ voet hoog aan de beide zijden en 1 2 voet in het midden , ver- warmd door 4 vierduimspijpen , kunnen ook wel voldoen , maar leveren toch nimmer zulk een overvloedigen oogst als men dien van grootere lokalen verwachten kan. De tempe- ratuur , voor het beoogde doel noodzakelijk , behoeft , zelfs bij een bewolkten hemel, niet hooger dan 50 60 F. te stijgen.

De ventilatie wordt onderhouden door twee openingen, in het midden van elk der beide zijden ééne, en wel van twee voet in het vierkant bij groote , en één voet bij kleine kas- sen. De openingen moeten door schuifblinden of -ramen gesloten kunnen worden.

De Heer E. kweekt zijne Oranjes ook al weder gedeel- telijk in den vollen grond , en gedeeltelijk in potten of tobben. Voor zijne potplanten gebruikt hij een mengsel van gelijke deelen molm, klei en goed verganen mest, waarbij valt op te merken , dat hij die ingrediënten geen van allen

<

B0EKBESCH0UWINGEN .

zift , omdat de wortels zich beter ontwikkelen in een mengsel dat ongelijk en niet van de kleine stukjes turf en brokjes wortel ontdaan is. Daar eene zachte en gelijkmatige bodem- warmte voor de Oranje-kultuur vereischt wordt, plaatst de Heer R. zijne potten of tobben op eene laag pannen of stukken lei , die te samen het dekstuk uitmaken van eene ondiepe , overal afgesloten , van baksteenen opgetrokken ruimte , waarin eenige heet-waterpijpen zijn opgesloten.

Voor de Oranjes in den vollen grond, raadt de Heer R. een mengsel aan van twee deelen molmhoudende klei en gelijke deelen van een goed gerotten mest en bladaarde. Na het planten, behoort deze massa goed te worden vastgetreden.

De beste vorm voor Oranjes in kweekhuizen is die van een 3 5 voet hoogen stam met eene kogelronde kroon; bij pyramide-boomen toch worden de lagere takken spoedig slap en ziekelijk. De afstand tusschen de boomen onderling be- hoort , al naar gelang zij kleiner of grooter zijn , en de ruimte waarover men te beschikken heeft minder of meer aanzienlijk is , 5 7 voet te bedragen. Voor boomen , die in kleinere kassen te huis behooren , is het inknijpen des zomers een noodzakelijk vereischte.

Als een der fijnste , hoewel kleine , oranjeappelen wordt door den Heer R. de Tangierine geroemd. De boom, die deze vruchten oplevert , heeft kleine bladen , en bereikt zel- den eene hoogte van meer dan 7 voet. Eene zijner meest te waardeeren eigenschappen is deze , dat zijne vruchten reeds in October rijpen , juist op een tijd als de late perziken ge- daan raken. De uit Spanje in November en December aan- gevoerde oranjeappelen kunnen , wat hun smaak en geur be- treft , in de verte niet bij de Tangierines vergeleken worden.

Onder de oranjeappelen van grooter omvang , staat de Malteser bloedroode (Maltese Blood) bovenaan, en dat niet

BOEKBESCHOrttTN'GEX.

alleen om den voortreffelijken smaak dier vruehten , -waar- van de in Engeland versch geplukte veel beter voldeden dan de van Spanje ingevoerde , maar ook omdat deze verschei- denheid reeds op zeer jeugdigen leeftijd veel draagt , zoodat boompjes van niet hooger dan 2 voet op een overvloedigen oogst doen hopen. Ook de St. Michaëls Oranje verdient nevens den Malteser bloedrooden aanbeveling , en evenzoo de »Embiguo", de «Botelha", de «zilveren", de «witte" en de «eironde Oranje", allen van de Azoren, het paradijs der Oranjes, afkomstig.

[Vervolg hierna.)

Catalogus plantarum quae in Horto botanico Bogoriensi coluntur, auctoribus J. E. Teysmank et S. Bdtsexdijk. Batavia. 1866.

Deze Catalogus, waarvan Z. Exc. de gewezen Gouverneur- Generaal van Neèrl. Indië . de Heer Sloet van de Beele , de goedheid had ons een exemplaar toe te zenden , is de eerste , die , na den welbekenden Catalogus van Dr. Hasskarl van 1844. van den tuin te Buitenzorg in het licht ver- schijnt. Dat hij derhalve een groot aantal planten meer bevat dan laatstgenoemde , zal niemand verwonderen. Zooals de titel zulks aanduidt , is het boek , dat wij aankon- digen, inderdaad eene eenvoudige opsomming van de gewas- sen , die van heinde en ver naar Buitenzorg werden overge- bracht , zonder diagnosen hoegenaamd ; hem echter , die in die diagnosen belang stelt , worden ter raadpleging het Na- tuurkundig Tijdschrift voor Ned. Indié en de werken van den Hoogleeraar Miquel aanbevolen.

De Catalogus is geordend volgens het stelsel van Endli- chek en gedeeltelijk ook naar dat van de Heeren Hooker

B0EKBESCH0UWINGEN.

en Bentham. Hij omvat de Phaneroganien en Vaat-Crypto- garaen. Achter elke soort wordt, behalve de autoriteit, de plaats harer afkomst , en meestal ook de naam opgegeven , waaronder zij bij de inlanders bekend staat.

De eigenlijke Catalogus beslaat 273 pagina's , de index der Latijnsche namen 22, en die der triviale 74. Daar- enboven treffen wij er nog een le supplement van 20 en een lijstje van errata van 2 pagina's in aan.

Wij vertrouwen, dat het wetenschappelijk publiek de Hee- ren Teysman en Binnendijk dankbaar zal zijn voor de moeite en den tijd, aan het schrijven van dit boekwerk besteed, en wenschen hun kracht en opgewektheid toe om op het met zulk een goeden uitslag door hen betreden spoor voort te gaan.

O.

IV. GEJIEXGDE BERICHTEX.

Het Bestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Aanmoediging van den Tuinbouw heeft zich onlangs in de onaangename omstandigheid bevonden, aan hare leden in overweging te geven , de Maatschappij te ontbinden. De redenen , welke tot dit voorstel hebben geleid , vinden wij opgeteekend in eene brochure van den Secretaris der Maat- ' > schappij, den Heer N. W. P. Rauwenhoff, getiteld: » Ver- slag der Algemeene Vergadering tan de Leden der Kon. Xed. Maatschappij tot Aanmoediging van den Tuinbouw . gehouden te Rotterdam, den 19en Januari 1867."

Nadat de Secretaris mededeeling had g-edaan van hetgeen door de Maatschappij sedert 1 864 werd verricht , en daarbij de internationale tentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam in 1865, benevens de bloemen-tentoonstelling.

GEMENGDE BERICHTEN.

door de directie van voornoemd Paleis in 1866 en 1867 zelve uitgeschreven .ter sprake had gebracht , ging hij aldus voort :

„Dit feit (nl. dat de directie van het P. v. V. thans zelve bloemen- tentoonstellingen uitschrijft) is belangrijk (?? Bef.). Het wijst er op (?? Eef.), dat de tuinbouw hier te lande eene zekere hoogte bereikt heeft. De kennis der kweekers is vermeerderd , de lust tot horticultuur niet verminderd , en de belangstelling van het publiek aanzienlijk ge- worden. In één woord , op eene voldoende schaal ingericht , kan thans de bloemen-tentoonstelling (welke? Eef.) zich zelf (zelve?) bekostigen."

„Wanneer men dit in het oog houdt , dan volgt hieruit , dat zooda- nige onderneming den steun onzer maatschappij kan ontberen , en dat in dit opzicht de taak van deze geëindigd is."

En verder:

„Mag alzoo de Maatschappij met voldoening op den afgeloopen werk- kring terugzien , nu is , naar het oordeel van het Bestuur , de tijd gekomen om dien werkkring te eindigen. De vaderlandsche tuinbouw behoeft , gelijk gezegd is , dien steun niet meer , en het wordt onge- oorloofd , om voor hetgeen niet noodig is , bijdragen der leden te vragen."

„Wel zijn er nog andere middelen , waardoor eene maatschappij als de onze nuttig voor den tuinbouw kan werkzaam zijn. Zij kan ge- schriften over den genoemden tak van nijverheid in het leven roepen en verspreiden , zij kan zich de opleiding van jeugdige kweekers aan- trekken en de oprichting eener Tuinbouwschool bevorderen of tot stand brengen. Maar hoe nuttig dit alles ook wezen moge , en hoe veel in dit opzicht ook nog te doen zij , het Bestuur deinst voor deze zaak terug , wanneer het let op de tegenwoordige organisatie der Maatschappij en op de geringe hulpmiddelen waarover zij te beschikken heeft ; ja zelfs het Bestuur vreest , dat een voorstel , om deze onderwerpen ter harte te nemen en het houden van tentoonstellingen te laten varen , bij de meerderheid der leden geen bijval zou vinden."

Het naar onze meening niet in alle opzichten juist, d. i. logisch , geformuleerde voorstel van het Bestuur werd in de algemeene vergadering der Maatschappij , gehouden te Rot- terdam op 19 Januari 1867, met 8 tegen 3 stemmen aan- genomen [NB. dit aantal stemmen is niet in overeenstemming met het aantal leden die de vergadering bijwoonden, dat 12 bedroeg; waarom de 12° stem niet werd uitgebracht, wordt niet vermeld] , en zoodoende de opheffing der Kon. Nederl. Maatsch. tot Aanmoediging van den Tuinbouw bekrachtigd.

-

>■*■

o

-<

o

4

f- 10 >

2

f:

n

z

o

o

^Jt

^m

o

>

—I

C/3

Co

o

CYCLAMEN COUM mu

Reeds vroeger, in liet le deel van dit tijdschrift, hadden wij het voorrecht, onze Lezers opmerkzaam te maken op een allerliefst knolgewas: Cyclamen vernum (PI. III), en wij ver- heugen er ons in , nog eenmaal in de gelegenheid te zijn , hunne aandacht op een paar andere soorten van het zelfde geslacht te kunnen vestigen.

Op PI. 44 vindt men de zoogenoemde Cyclamen Coum , eene plant der Zwitsersche Alpen , afgebeeld. Bij 1 ziet men haar in haar oorspronkelijken staat , bij 2 , 3 en 5 daarentegen met bleekere, en bij 4 met bijkans witte bloe- men. De verscheidenheden 2, 4 en 5 worden door velen -

als eene van C. Coum afwijkende soort, nl. als C. Atkinsii, en de verscheidenhehi 3 ook wel als C. ibericum beschreven. Wij voor ons echter houden C. Coum voor de stamplant van allen , en kunnen dus de namen Atkinsii en ibericum niet anders dan als variëteitsnamen doen gelden. In Bosse's Handbuch der Blumengdrtnerei wordt C. Atkinsii eene hy- bride genoemd , door den tuinier Atkins te Painswick in Engeland uit C. Coum en C. persicum verkregen , doch C. ibericum -weder als zelfstandige soort aangevoerd.

Onze plaat werd vervaardigd naar eene teekening van den Heer J. H. Krelage , van wien wij ook nog eenige inlich- tingen bekomen hebben , welke wij hier mededeelen.

De verscheidenheid 5 is in den handel bekend als C. Atkinsii roseum en afkomstig uit Engeland. De verschei-

8. 1

CYCLAMEN COÜM.

denheid 2 werd door den Heer Krelage C. Atkinsii pulchettnm geheeten en in 1862 door hem g;ewonnen uit zaad van C. Atkinsii. Zij vormt den overgang tusschen C. Atkinsii en C. Atkinsii roseuni. Hare hoofdkleur is wit met eene rosé tint , doch elk hloemblaadje is in een donkeren rosé rand gevat. De verscheidenheid 3 , als C'. ibericum rubrum bekend , werd gevonden onder eene partij Cyclamens , die als C. ibe- ricum ontvangen waren. De Heer Krelage is echter van gevoelen , en ik hen het in dit opzicht geheel met hem eens , dat onder den laatsten naam slechts vormen van C. Coum of 6'. Atkinsii gekweekt worden. Van dat denkbeeld uit- gaande , zou het derhalve niet ongepast wezen , de zooge- noemde C. ibericum rubrum in C. Coum of Atkinsii rubrum te verdoopen. De kleur dezer verscheidenheid houdt het midden tusschen die van C. Coum en C. Atkinsii roseum. Hare bloemen zijn echter grooter dan die van eene der twee laatstgenoemden.

in eene afdalende reeks op

a. C. Coum, b. C. Atkinsii rubrum, , c. C. Atkinsii ro- seum, d. C. Atkinsii pulchettum , e. C. Atkinsii.

Naar gelang- van de grootte der knollen en de fraaiheid der verscheidenheden , levert de Heer Krelage de afgebeelde Cyclamens voor den prijs van ƒ 0.60 tot f 1.20 het stuk. Hoewel somwijlen als geschikt opgegeven voor de kultuur in den vollen grond , meent toch de Heer Krelage , dat in ons vaderland dat voorschrift niet kan worden opgevolgd.

i

De verscheidenheid 4 is de zuivere C. Atkinsii, waarvan wij den oorsprong reeds hierboven hebhen opgegeven , en sub 1 is de echte C. Coum afg-eheeld.

In kleur volgen de afgebeelde Cyclamens elkander aldus

40

l.roninóen, > B

Cl i,;:' I mrik >■"> n 'm

CYCLAMEN REPANDUM SÏBTH.

CYCLAMEX REPANDUM sibth.

Deze soort van Cyclamen , welke in Griekenland te huis behoort , bloeit , evenals alle' op PI. 44 afgebeelde soorten of verscheidenheden, in het voorjaar (April), en dit reeds pleit er voor, dat men haar niet als identiek met de ware C. hsderaefoliwiii beschouwen mag, zooals wel eens gedaan wordt, omdat laatstgenoemde niet vóór Augustus in bloei

gezien wordt.

De bladen van C. repandum zijn dun-vliezig , en niet leerachtig van aard , hartvormig , golfswijs ingesneden , van onder rozerood. De slippen der bloemkroon zijn lancetvor- mig , zeer spits toeloopend , en niet eirond of elliptisch , zooals bij C. Coum en C. Atkinsii. De knol wordt opge- geven als op zijne oorspronkelijke groeiplaats de grootte van eene hazelnoot niet te overtreffen. Dat hierin door het kwee- ken verandering komt , blijkt uit onze plaat , die naar een levend voorwerp van den Heer J. H. Krelage vervaardigd werd.

Omtrent de kuituur der Cyclamens kan men raadplegen , wat daaromtrent reeds in het le deel van ons tijdschrift is bekend gemaakt.

> II. WETENSCHAPPELIJKE 1IEDEDEELINGEN.

DE VERRICHTING (FUNCTIE) DER STAMINODIA.

Onder staminodia of valsche meeldraden verstaat men zulke onderdeden der bloem , welke wel op meeldraden gelijken , en ook wel op of nabij de plaats van deze organen voorko- men , maar geen stuifmeel afzonderen , en derhalve van geen onmiddellijken invloed zijn bij de bevruchting. In de meeste leerboeken wordt over de verrichting dier staminodia niet gesproken, en geen wonder, daar men er ook niets van te zeggen wist.

Onlangs echter is er- een feit bekend geworden , 't welk aanleiding tot eene grondiger studie van het leven der val- sche meeldraden geven kan. Het werd waargenomen door Dr. Maxwell T. Marters (te Londen) op Dombeya angulata Cav. (later door Hooker in het Botanical Magazine Dombeya Mastersii geheeten), eene Sterculiacee uit de Palmenkas van den tuin te Kew.

In de bloemen van deze Dombeya vindt men 15 echte en 5 valsche meeldraden. Gene openen zich naar buiten en zijn korter dan deze , welke zich als smalle , naar voren eenigszins knodsvormig gezwollen , doch aan hun top weder min of meer samengeknepen lintjes voordoen.

Dr. Masters nu nam bij goed geopende bloemen waar, dat de toppen der 5 bloembladen , der 5 valsche meeldraden en der 5 naar buiten omgekrulde stempels ongeveer in het zelfde vlak liggen , en dat er over de eerste twee altijd eenig stuifmeel was uitgestrooid; en verder, bij jongere, nog niet

o:

<.

- h

i

WETENSCHAPPELIJKE MEDliDEKLINGUN.

of slechts halverwege g-eopende , bloemen , dat de stamiuodia zich eerst zoodanig naar buiten krommen , dat zij noodwen- dig met de buitenvlakte der helmknoppen in aanraking moe- ten komen , maar dan , met stuifmeel bezwaard , zich weder oprichten, en dat poeder op de stempels afwrijven.

Dit door Dr. Masters waargenomen geval pleit voor de zelf-bevruchting der bloemen , die , naar het voorbeeld van Darwin en ten gevolge der proeven van Hildebrand, voor vele gevallen althans zeer twijfelachtig was geworden. Want voor diegenen onzer Lezers, die het niet weten, zij hier medegedeeld , dat men sedert eenige jaren teruggekomen is van het denkbeeld, dat de meeldraden en de stamper van eene en de zelfde bloem altijd op elkander zouden werken , en meer is gaan overhellen tot het denkbeeld , dat , evenals bij de tweeslachtige dieren , ook bij de (gewoonlijk twee- slachtige) bloemen eene kruising, .d. i. eene wederzijdsche bevruchting door de natuur is voorgeschreven. Wij ont- kennen geenszins , dat er voor de laatste beweering vele en zeer deugdelijke bewijzen zijn bijgebracht , maar juist daarom is het zaak , ook die gevallen gade te slaan en voor de ver- getelheid te bewaren , waar het omgekeerde plaats heeft , opdat men niet weder , door te veel te generaliseeren , in de zelfde fout vervalle , waaraan men onze voorgangers schuldig heet. In elk geval is de waarneming van Dr. Masters eene vingerwijzing om op de rol der tot hiertoe veelal verwaarloosde staminodia nauwkeuriger dan tot hiertoe geschied is , acht te geven.

IETS OVER HET ONTSTAAN VAN VERSCHEIDENHEDEN.

De Heer Ed. Morren , hoogleeraar in de Plantenkunde te Luik en redacteur van de Belgique horticole , verdedigt

-

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEEUNGEN .

sedert eenigen tijd de stelling , dat de verscheidenheden , welke men nu en dan te midden onzer sierplanten ziet ont- staan, haar oorsprong veeleer aan een ongedwongen ontwik- kelingsproces der planten zelven, dan aan eene andere oor- zaak te danken hehhen , en dat wel o. a. op grond , dat zeer vele van die verscheidenheden zonder eenige dadelijke hulp van huiten . en daarenhoven somwijlen ter zelfder tijd op verschillende en zeer ver van elkander verwijderde plaatsen , of ook wel aan enkele hevoorrechte takken voor den dag komen , zoodat niet kan worden aangenomen dat eene bij- zondere hewerking van den grond of andere dergelijke uit- wendige invloeden aan het verschijnsel deel hebhen.

Er wordt, volgens den Heer Moeben, bij het ontdekken van nieuwe verscheidenheden, veel te veel op rekening ge- steld van de onmiddellijke bemoeiingen van den mensch (kunstmatige bevruchting, kruising van soorten of variëtei- ten , handgrepen ook van anderen aard , iu de kweekkunst gebruikelijk), terwijl men eer zou moeten denken aan eene veel verder verwijderde oorzaak, n.1. aan den langdurigen invloed van de kunstmatige opvoeding in onze tuinen en trekkassen.

Dat die invloed werkelijk bestaat , en , na zich een gerui- men tijd te hebben doen gelden , eindelijk bij de plant eene neiging, eene aandrift te weeg brengt, om te worden wat zij tot op dat oogenblik niet geweest was , blijkt vooreerst daaruit , dat men het niet in zijne hand heeft om willekeu- rig en binnen een kort tijdsverloop dubbele bloemen voort te brengen , en verder , dat men meestal ziet , dat dit ver- schijnsel zich trapswijze openbaart , in dien zin , dat eerst en wel bij verschillende kweekers van verschillende landen te gelijker tijd eenige weinige, onvolkomen, dubbele bloemen voor den dag komen : dat dat aantal later toeneemt

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEEI.INGEN.

en de gevuldbeid fraaier en regelmatiger wordt , tot dat uien eindelijk alles heeft wat men wenschen kan, maar zonder dat men kan aangeven , wat eigenlijk die geleidelijke ver- andering te weeg bracht. Voorbeelden van een dusdanigen gang van zaken leverden de welbekende Pelargonhun tonale Mistriss Puüod, de Pelargoniums met dubbele bloemen, Ckryseis aüifornica, Portulaca grandtfiora . Primula sinen- ->•<".>-. Gloxinia speciosa, de Dahlia's, en nu in den laatsten tijd weder Aucuèa japotiica.

Om der merkwaardigheidswille , staan wij bij datgene, wat laatstgenoemde plant ons te aanschouwen heeft gegeven, een oogenblik stil. Het is bekend, dat Aucuèa Japmica in 17-: uit Japan naar Europa werd overgebracht . dat de overge- brachte individuen allen vrouwelijk waren , en dat alle over Europa verspreide Aucuba's uit stek van die oorspronkelijk aangevoerde exemplaren gewonnen werden. In 1860 ont- dekte de reiziger Fobtitne eene mannelijke Aucuba in de omstreken van Jedo. Hij zond er stekken van naar den Heer Standish te Ascot, en reeds in 1863 was deze laatste in de gelegenheid, de kunstmatige bevruchting der vrouwe- lijke exemplaren , in zijn bezit , te bewerkstelligen. De uit- komst dezer handeling bleef niet uit , want op de interna- tionale tentoonstelling van planten te Brussel in 1864, was iedereen in de gelegenheid , voor het eerst in zijn leven . prachtige Aucubas te aanschouwen , met kersenroode bessen als overdekt. Het spreekt van zelf, dat het zaad uit die bessen met zorg werd uitgezaaid , en dat men geene andere verwachting kon koesteren dan dat de jonge planten , daaruit voortgesproten . de eenen mannelijk en de anderen vrouwelijk zouden zijn. Xogtans werd die verwachting niet ten volle verwezenlijkt , want onder de nieuwe individuen werden er ook weldra met tweeslachtige bloemen opgemerkt , en dat

>

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

wel te gelijker tijd ongeveer te Gend , te Luik en te Londen.

Houdt men nu in liet oog, dat zulke Aucuba's met twee- slachtige bloemen in Japan zelf onbekend zijn, dan kan men wel niet anders dan aannemen , dat de opvoeding , welke de Japansche vreemdelinge gedurende 80 achtereenvolgende ja- ren in onze hoven moest ondervinden, eene wijziging in haar geheele zijn te weeg bracht, van dien aard, dat zij in staat werd gesteld om zoodanige bloemen voort te brengen , als \ __ die zij vroeger nooit bezeten had.

Zeer opmerkelijke veranderingen , zonder dadelijke aanlei- dende oorzaak , werden ook eenmaal bij Gloxinia speciosa opgemerkt. Van purper werden de bloemen dier plant rozerood en wit; van hangend opgericht; van onregelmatig regelmatig ; eindelijk van enkel dubbeld. Die veranderingen openbaarden zich echter langzamerhand , en op verschillende plaatsen van Europa te gelijker tijd. Kunstmatige bevruch- tingen , kruisingen , buitengewone behandelingen waren er niet aan voorafgegaan ; alles kwam om zoo te zeggen van zelf ; niemand kon zich de eer toeëigenen , daaraan te heb- ben medegewerkt.

Ten slotte dus : veranderingen in bloemen kunnen som- wijlen door dadelijke bemoeiing van den kweeker worden voortgebracht, maar in de meeste gevallen heeft hij er geene schuld aan. Een zeker p-etal oorzaken , in kweektuinen onafgebroken werkzaam , wijzigen het plantenleven , en geven op eenmaal aanleiding tot eene uitbarsting eeu tot daartoe nog niet waargenomen verschijnsel.

III. GEMENGDE BERICHTEN.

Zooals te verwachten was , is den lcn April jl. de eerste veertiendaagsche tentoonstelling van voortbrengselen van den tuinbouw te Parijs geopend geworden, om den 14en daar- aanvolgend weder te worden gesloten. De jury over dit gedeelte der expositie bestond uit de Heeren Andry. Berg- makn , Cachet , Cappe , Chardon , Chauvière , Dubreuil , Houllet , Leroy , Louesse , Rouillard en Truffaut

1. camellia's. Van de 11 vragen naar Camellia's, die bet centrum der tentoonstelling moesten uitmaken , werden slechts 6 beantwoord , en wel door niet meer dan 4 concur- renten. Onder deze behaalde de Heer Chantin te Parijs , die in het geheel 178 exemplaren had ingezonden , de meeste prijzen. Vooreerst werd hem toegekend de le prijs als in- zender der grootste verzameling (prix de collection) ; dan de le prijs voor eene verzameling van 50 uitgelezen verschei- denheden ; eindelijk eene eervolle vermelding voor 25 uitge- lezen verscheidenheden. Aan den Heer Cochet viel een 2e prijs voor zijne verzameling in den vollen grond gekweekte Camellia's en eene eervolle vermelding voor 6 voorwerpen ten deel , welke uitmuntten door goede kuituur.

Aan den wedstrijd voor nieuwe Camellia's hadden slechts 2 inzenders deelgenomen , nl. de Hr. van Damm en de Hr. A. Verschaffelt , beiden kweekers te Gend. Aan den eer- sten werd eene loffelijke vermelding toegekend voor zijne Camettia Prince Im/périal.

2. NIEUW INGEVOERDE PLANTEN VOOR DE WARME KAS. Op

dit artikel waren 4 vragen voorgesteld: eene naar 12 en eene naar 5 verschillende soorten , eene naar een willekeurig getal soorten uit één geslacht, en eene naar de indrukwek-

GEMENGDE BERICHTEN.

was uitstekend , d. i. door zeer sclioone inzendingen verte- genwoordigd. De fraaiste verzameling was, naar het oordeel van den jury, die van den HeerCAPPE, kweeker te Vésinet, waarom hem dan ook de le prijs werd toegekend. De Heer Luddemann , kweeker te Parijs , erlangde den 2'n , en de Heer de Smet den 3en prijs. Op de vraag naar nieuwe Bromeliaceeën had de Heer J. Linden 12 soorten ingezon- den , waaronder zeer belangrijken , en werd hij dan ook met den len prijs bekroond.

8. VARENS VOOR DE WARME KAS, MET UITSLUITING VAN BOOM-

varens. Voor twee verzamelingen van nieuwe of zeldzame Varens erlangden de Heeren Veitch and Sons twee 2e prijzen. Aan den Heer J , A . Willink Wz. te Amsterdam werd eene eer- volle vermelding toegewezen voor zijne Hemionitis semicostala en H. Blumeana. Aangaande de juistheid van den naam » Hemionitis" voor de ten toon gestelde voorwerpen werd echter door den Heer Eafarin in de «Revue Horticole" (1867, pag. 176) twijfel geopperd.

9. PLANTEN VOOR DE GEMATIGDE EN KOUDE KAS, MET AANWIJ- ZING van bepaalde geslachten [Erica , Acacia en Mimosa , kruidachtige Varens, Amaryllis , Cineraria, Primula sinen- sis, Da'pline , Cyclamen, Cheiranthus) en zonder deze. On- der de Erica's werden twee verzamelingen , elk van 25 voor- werpen , en beiden toebehoorende aan de Heeren Michel fils en Grimard , bekroond : de eene met een 2en en de andere met een 3en prijs. Den Heer Boelens te Gend viel een 3e prijs voor zijne Amaryllissen , en den Heeren Vilmorin en C°. een 3e prijs voor hunne Primula1 s sinensis ten deel. Voor de Cineraria 's werden bekroond de Heer Dufoy met den len , en de Heeren Vilmorin en C°. met een 2en prijs. Onze landgenoot, de Heer J. H. Krelage te Haarlem, mocht voor zijne Cyclamens eene eervolle vermelding wegdragen.

75

GEMENGDE BERICHTEN.

Gelukkiger echter was de Heer Krelage met zijne Hya- cinthen , die hem een len prijs verwierven (de Heer Bafarin noemde zijne verzameling : » tout ce qu'on peut voir de plus parfait comme culture et comme choix de variétés). Hij had te strijden met den Heer van Waaveren van Hillegom , die een 2" prijs behaalde voor zijne opmerkelijke verzameling van Hyacinthen op ff lazen, en met de Heeren Thibaut-Pru- dent, kweeker te Parijs, aan wien een 3e prijs, en Loise Chauvière , kweeker te Parijs , aan wien eene eervolle ver- melding werd toegekend.

Nog mocht de Heer Krelage een 1™ prijs wegdragen voor zijne "25 verscheidenheden van hyacinthen naar de keuze

des inzenders. Geroemd werden in die collectie vooral Cle- omène-i General Hatelock , la Nitit, Madame Ristori , Cha- teaubriand, Queen Victoria, Alexandrina , Monsieur Mau- cley. Mededinger van den Heer Krelage was de Heer Barnaart van Haarlem, aan wien een prijs werd toe- gewezen. . \ \ \

10. PLANTEN, IN BLOEI GEBRACHT DOOR GEFORCEERDE KUL-

tuur. Hiervan schijnt niet veel te zijn ingezonden , of, wat er was , in den regel de bekrooning' niet te zijn waar- dig" gekeurd. Inderdaad vinden wij slechts aang-eteekend , dat de Heeren Havard en C". , kweekers te Parijs , een 2'n prijs erlang'den voor hunne vroeg-e Tulpen , terwijl noch van Crocussen , noch van Seringen gewag wordt gemaakt. Voor vroege stamrozen viel de le prijs ten deel aan den Heer Knight , tuinman op het kasteel van Portchartrain , en de 2C aan den Heer Margottin , kweeker te Parijs.

11. NIEUWE PLANTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. BekrOOlld

werden voor dit artikel eene Phajus grandifolius foliis va- riegatis van den Heer W. Bull , kweeker te Londen , met eene eervolle vermelding; en eene Camellia Lavinia Maggi

GEMENGDE BERICHTEN.

van de Heeren Rovelli , kweekers te Polanza in Italië , met een lon prijs.

12. heesters met blijvend blad. Door vijf kweekers uit de omstreken van Parijs waren op dit artikel 700 exem- plaren ingezonden. Een le prijs viel hier ten deel aan den Heer Honoré Defresne, kweeker te Vitry, voor zijne verza- meling van 200 verschillende individuen ; een 2e aan den Heer Deseine , kweeker te Bougival , onder wiens verzame- ling men eene nieuwe soort van Ligustrum opmerkte ; een 3e aan den Heer Croux , kweeker te Sceaux ; eindelijk eene eervolle vermelding aan den Heer Paillet. De Heer Da-

voine , liefhehber van Mechelen , had 25 verschillende Au- culcCs ingezonden, die met een len prijs bekroond werden tegen 25 anderen van den Heer Paillet fils , aan wien een 2e prijs ten deel viel.

Op de vraag naar Hulsten , waren door verschillende kweekers meer dan 600 voorwerpen ten toon gesteld , tot zeer fraaie groepen vereenigd. Van de collectiën in toto behaalde die van den Heer Saunier , kweeker te Rouaan , den len , die van de Heeren Jamin-Durand den 2en , die van den Heer Douchet den 3en prijs, en die van den Heer Croux eene eervolle vermelding.

Voor eene verzameling van 25 Hulsten werd een le prijs aan de Heeren Veitch and Sons en een 2e aan den Heer Saunier, en voor eene verzameling van 12 Hulsten een le prijs aan den Heer Saunier en een 2e aan den Heer Louis Leroy toegekend.

Evenals de Hulsten , waren ook de Magnolia's (met blij- vend blad) op uitstekende wijze vertegenwoordigd. Door bevoegde beoordeelaren werd verzekerd, dat zij nooit zulk een rijkdom van prachtige exemplaren bij elkander hadden gezien. De Heer Louis Leroy behaalde hier een lcn, de

GEMENGDE BERICHTEN.

Heer Paillet fils een 2cn prijs en de Heer Alexandre Oudin eene eervolle vermelding. - - Voor Magnolia 's met afvallend blad werden bekroond : de Heer Cochet met een 2en , de Heer Paillet fils met een 3en prijs , en de Heer Cboüx met eene eervolle vermelding.

13. VERVROEGDE GROENTEN EN VRUCHTEN. De verwach- ting , op dit artikel belangrijke inzendingen te zullen bekomen, werd bitter te leur gesteld. Van groenten was niets ten toon gesteld wat de aandacht van den jury ook slechts even boeien kon , met uitzondering van eene verzameling Milaneesche kool (Choux de Milan) van den kweeker Chenevière te Pontoise , aan wien daarvoor een 3e prijs werd toegekend. De inzending van vruchten was wel iets belangrijker, maar toch beneden het middelmatige. De Heer Dupuy behaalde een lL'n en Mevr. de wed. Fromont een 2en prijs voor Ananassen; de Heer Crémont een 2en prijs voor 6 soorten van vruchten , en de Heer J. de Gaes uit België een 2en prijs voor vervroegde druiven.

De oorzaak van het gebrek aan inzending wordt door den Heer Eafarin daarin gezocht , dat het gedetailleerde pro- g-ramma der tentoonstelling' niet aan de g-roentekweekers werd toegezonden , iets wat , blijkens de uitkomsten , als een niet geringe misslag- mag aangemerkt worden.

Beter dan met de inzending van vervroegde , was het met die der overgebleven vruchten gesteld. De le prijs voor de belang-- rijkste verzameling wrerd toegekend aan den Heer Bouchard van Lyon . die 37 monsters appelen en 34 monsters peren had ten toon gesteld; de 2e aan den Heer Capernick van Gend ; de 3e aan de Société de Clermont voor 43 monsters appelen en 6 monsters peren , en eene eervolle vermelding aan de Société Dodonée van Brussel , voor 26 monsters appe- len en 15 monsters peren. Eene korf met uitstekende peren

GEMENGDE BERICHTEN.

uit Uruguay van den Heer Margat moest, als te laat aan- gekomen , buiten de beoordeeling blijven. De le prijs voor overgebleven druiven werd toegekend aan den Heer Constant Charmeux en de 2C aan den Heer Rosé Charmeux, beiden kweekers te Thomery.

Over bet geheel heeft de eerste veertiendaagsche tentoon- stelling , niettegenstaande de groote moeilijkheden , die aan het begin van elke belangrijke onderneming verbonden zijn , zeer bevredigende uitkomsten opgeleverd. Zij gaf aanleiding tot het uitreiken van 80 belooningen, 'nl. 22 eerste, 28 tweede, 14 derde prijzen en 16 eervolle vermeldingen. Onder de bekroonden waren 45 Franschen , 1 9 Belgen , 9 Engelschen , 6 Nederlanders en 1 Italiaan.

(In uittreksel overgenomen uit de Revue Horticole van 1 Mei 1867.)

Op den 15on Februari jl. overleed te Antwerpen in 70- jarigen ouderdom de Heer Francois Joseph Rigouts Verbert, hoogleeraar-directeur van den hortus botanicus aldaar.

Op den 3en Mei overleed te Amsterdam , werwaarts hij zich uit Groningen begeven had om de vergadering der Koninklijke Akademie van Wetenschappen bij te wonen , de emeritus-Hoogleeraar Claas Mulder , in den ouderdom van even 70 jaar. Hoewel de overledene in zijne betrekking aan de Groninger Akademie de Dierkunde onderwezen had , was hem toch vroeger, toen hij nog te Franeker doceerde, ook het onderwijs in de Plantenkunde opgedragen geweest.

.

I Pi'imnlfl i 'liiniMisis Lindl. 1'loi-c ruliro plcim

- , . alboplcno.

3 lïliriiblia slriata

'1 ;ill>:\ mtus lulca .

•) cupreata .

C'lll OIKitlllli \

I. BESCHRIJVINGEN VAN AFGEBEELDE PLANTEN.

PBIMULA SINENSIS ma.

IN 5 VEESCHEIDENHEDEN.

De fraaie Primula, die haar naam aan bet land harer afkomst verschuldigd is , en , meer dan elke andere van haar geslacht, in de gunsten der hloemkweekende natiën van Europa heeft mogen deelen Primula sinensis werd omstreeks 1820 of 1821 uit China naar ons werelddeel overgebracht. Zooals zij zich toen vertoonde, had zij hart- vormige , ongelijkmatig ingesneden bladen , wier rand niet alleen een weinig golfswijs op en neer gebogen , maar daar- enboven in een zes- tot twaalftal breede , gekartelde , lobben verdeeld was ; en verder schermswijs vereeuigde bloemen van niet meer dan 2 tot 3 centimeters middellijn , met vlakke , afgeronde en volkomen gave, of ter nauwernood ingesneden slippen , en wier dof rozeroode kleur alleenlijk werd afge- broken door een heldergeel , soms ook met een geelgroenen of okerkleurigen weerschijn aangeloopen, hart, dat zich echter niet verder dan tot | of | van de breedte der bloemslippen uitstrekte.

Zóó werd P. sinensis eenige jaren gekweekt en verme- nigvuldigd , tot men op eens , uit zaad , eene witte verschei- denheid erlangde, die, ook weder uit zaad, zich zonder moeite liet voortkweeken. Nog op den huldigen dag wordt die witbloemige Primula nevens de oorspronkelijke rozeroode , op de bloemtafels aangetroffen.

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

zijde , welke naar de bijzonder behandelde plant gekeerd is. Verder blijkt uit eene mededeeling van den Heer Rivière , dat men te Vichy , in eene laan van het park , om de an- dere, roode en blauwe Hortensia's aantreft, en dat dit ver- verschijnsel ook hier blootelijk aan de keuze van den bodem is toe te schrijven.

Onder de verklaringen , die van het blauw worden der Hortensia-bloemen gegeven zijn geworden , vermelden wij die van de Heeren Chêitin , Crochard en Boisduval. De eerste meende , dat die kleuring het gevolg is van het opnemen van ammoniak door de wortels , in dien zin , dat genoemde stof het kleurend beginsel der plant in blauw zou doen over- gaan ; de tweede , dat een koperzout , in het ammoniak des bodems opgelost , en eindelijk de derde , dat de zoogeuoemde ammoniak-aluin (een dubbelzout van zwavelzure aluinaarde en zwavelzuren ammoniak) de hoofdrol bij die kleuring spe- len zou.

Op grond van de uiteenloopende denkbeelden , door de drie genoemde Heeren , op eene vergadering der Société botanique de France , aangaande de onderwerpelijke zaak te berde ge- bracht, besloot de Heer Eugène Foornier, eenige proeven te nemen , waaruit zou kunnen blijken , aan welke zijde de waarheid gelegen was.

Daartoe koos hij eenige bloeibare Hortensia's , zooveel mogelijk van de zelfde grootte , en begoot die , van af de maand Mei, dag aan dag, met eene der vier gefiltreerde oplossingen , tot dat doel gereed gemaakt en bestaande : de le uit 20 gram ammoniak-aluin, de 2C uit 20 gram groen vitriool (zwavelzuur-oxydule) , de 3e uit 20 gram koolzuur koperoxyde, allen op 1 liter water, en de 4e uit eene ver- dunde oplossing van ammoniak, waarvan de sterkte moeilijk kon worden aangegeven, Aan het water, dat tot oplossing

si

■WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

van het koolzuur koperoxyde dienen moest , was een weinig' ammoniak toegevoegd , opdat de oplossing des te volkomener wezen zou.

Reeds vau den 15en Mei af, was het duidelijk te zien, dat de planten, die met ammoniak-aluin begoten waren ge- worden , krachtig in ontwikkeling- toenamen ; dat de oplos- sing van koolzuur koperoxyde schadelijk werkte , en dat de oplossing van groen vitriool zonder uitwerking bleef. Tegen den 15en Juni had de verdunde ammoniak-oplossing den dood van de daarmee begoten Hortensia ten gevolge ; iets latei- kon het zelfde van de oplossing van koolzuur koperoxyde gezegd worden.

Toen de andere Hortensia's in bloei stonden , vormden zij een treffend kontrast met elkander. De oplossing van groen vitriool had rosse bladen en middelmatig groote , donker rozeroode , die van den ammoniak-aluin daarentegen donker- groene bladen en groote violetblauwe bloemen te weeg ge- bracht.

Ongeveer half Mei , toen het meer dan waarschijnlijk ge- worden was , dat de ammoniak-aluin het gunstigst op de ontwikkeling- van de blauwe kleur werkte , nam de Heer Fournier nog eene andere proef op grooter schaal , met twee partijen Hortensia's , waarvan de eene met zuiver water , de andere met eene oplossing van ammoniak-aluin begoten werd. De uitwerking bleef ook hier niet achter; alle planten van de eerste groep brachten rozeroode , alle anderen blauwe bloemen voort.

Vestigt men nu , toegerust met de kennis der uitkomsten van Fournier , zijne aandacht nogmaals op datgene , wat de Heeren ÜHaTiN , Crochard en Boisuuval als hunne meening nopens het blauw worden van Hortensia-bloemen hadden te kennen gegeven , dan komt men tot het besluit , dat noch

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

de denkbeelden van den eersten , noch die van den tweeden beaamd kunnen worden. Eene oplossing- van louter ammo- niak doet de Hortensia's sterven of kleurt hare bloemen groen ; eene oplossing van koolzuur koperoxyde werkt als vergift en laat even min na den dood der planten te weeg te brengen.

Het ijzerzout was in de proeve van Fournier zonder wer- king gebleven , doch deze uitkomst mag nog geene aanlei- ding geven tot de meening , dat ijzerzouten in het algemeen tot het blauw worden van Hortensia-bloemen niet zouden kunnen medewerken. Integendeel, vele personen hebben met daadzaken bewezen, dat ijzerhoudende gronden een gunstigen invloed op het onderwerpelijke verschijnsel hebben , en bet is evenmin twijfelachtig dat in lei , hetwelk zich werkzaam betoont , ijzerpyrit voorkomt. Wij kunnen er bijvoegen , dat in lei , hetwelk Fournier vruchteloos tot het bekomen van blauwe Hortensia-bloemen aangewend had , door scheikundige middelen ook geen ijzerpyrit koude worden aangetoond ; en verder , dat in een natuurlijken bodem bij Londéac , die altijd blauwe Hortensia's voortbracht , eene ijzerverbinding bij de scheikundige analyse gevonden werd. De Heer Fournier zelf erkent dan ook , dat eene ijzerverbinding , die in den grond de voorwaarden vindt om de plant in opgelosten staat binnen te dringen, het blauw worden van Hortensia-bloemen veroorzaken kan.

De meening van den Heer Boisduval , dat men , door middel van ammoniak-aluin , de bloemen vau Hortensia's willekeurig blauw kan doen worden , is door de proeven van den Heer Fournier gebleken juist te zijn. Eene verklaring echter vau de wijze , waarop dat dubbelzout werkt , is laatst- genoemde schuldig gebleven. Wel geven wij hem gaarne toe , dat ammoniak-aluin , door zijn gehalte aan zwavelzuur en eene stikstof-verbinding, zeer gunstig op den plantengroei

8.S

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

iu het algemeen kan werken , en even zeer dat de ammo- niak in de genoemde verbinding de planten kan binnendrin- gen , zonder eerst in zijne samenstellende deelen te worden ontleed ; maar dit alles verklaart het blauw worden van bloemen , die van nature met eene rozeroode kleur bedeeld ziju , nog niet.

Die verklaring moet dus nog gegeven worden , en voor hen , die zich daaraan mochten willen wagen , vermelden wij dan ook nog de volgende door Fouenier medegedeelde bij- zonderheid : dat de roode kleur van de bloemen der Horten- sia's aan kogeltjes gebonden is , en dat deze , onder het mikroskoop in aanraking gebracht met eene oplossing van ammoniak-aluin , zelfs na dagen geene verandering ondervin- den , terwijl zij , door eene oplossing van ammoniakgas in water , eerst hunne kleur verliezen en eindelijk geheel ver- dwijnen , doch zóó dat later eene gelijkmatig groene tint daarvoor in de plaats komt.

(Voor een deel overgenomen uit het Journal de la

Société impériale et centrale oV Horticulture de France,

1867, p. 152.)

III. GEMENGDE BERICHTEN.

De tweede wedstrijd der internationale bloenien-tentoonstel- ling te Parijs heeft plaats gehad tusschen 15 April en 1 Mei 11. , en de volgende uitkomsten opgeleverd. Wij herinneren , dat het zwaartepunt van dit concours gelegen was in de gevraagde Coniferen.

I. CONIFEREN.

a. Voor de grootste verzameling Coniferen (jarix de col- lectioti): le prijs aan den Heer Deseine , kweeker te Bougival ; 2e prijs aan den Heer Honoré Defresne , kweeker te Vitry ; 3e prijs aan den Heer Oudin , kwee- ker te Lisieux ; eervolle vermelding' aan de Heeren Paillet , Croux en Moreau. Het geheel der ten toon gestelde Coniferen voor den »prix de collection" bedroeg 1600 stuks.

b. Voor 50 verschillende Coniferen voor den vollen grond: le prijs aan de Heeren Veitch and Sons te Londen; 2e prijs aan den Heer Morlet , kweeker te Fontaine- bleau; 3e prijs aan de Heeren Janin en Durand, kweekers te Bourg-la-Reine ; eervolle vermelding aan den Heer Remont , kweeker te Versailles.

c. Voor 12 verschillende Coniferen voor den vollen grond; le prijs, niet toegekend; 2" prijs aan den Heer Cha- rozé, kweeker te Angers; 3e prijs aan den Heer Al- froy (neveu) , kweeker te Lieusaint ; eervolle vermel- ding aan den Heer Cochois, kweeker te Andelys.

cl. Voor 6 zeer krachtig ontwikkelde Coniferen ter ver- siering van tuinen: prijs aan den Heer Cochet, kweeker te Suisne ; 2e prijs aan den Heer Rémont te

GEMENGDE BERICHTEN.

Versailles; eervolle vermelding aan den Heer Alfroy- Duguet , kweeker te Lieusaint.

e. Voor 1 exemplaar, dat uitmuntte door grootte en goe- den vorm: le prijs aan den Heer Cochet, voor eene Thv/ya giganten; 2e prijs aan den Heer Krelage voor eene Abies Nordmanniana van 7 meters hoog- ; 3e prijs aan den Heer Oudin (ainé) voor zijne Abies Pinsapo ; eervolle vermelding aan den Heer Alfroy (neveu) voor eene Pinns sabiniana.

f. Voor 25 soorten van Abies : prijs aan den Heer Paillet.

g. Voor nieuw ingevoerde Coniferen: le prijs aan den Heer Sénéclauze , kweeker te Bourg-Argental ; 2e prijs aan de Heeren Veitch and Sons ; 3e prijs aan de Hee- ren Thibaut en Keteleer , kweekers te Parijs ; eervolle vermelding aan de Heeren Paillet en Oüdin (ainé).

//. Voor nieuwe Coniferen voor den vollen grond , die nog niet in den handel gebracht w-aren : le prijs aan de Heeren Veitch and Sons; 2e prijs aan den Heer Oudin (ainé); eervolle vermelding aan den Heer Sénéclaüze. i. \ oor verschillende Araucaria's : 3e prijs aan den Heer Daudin van Pouilly ; eervolle vermelding aan den Heer Knight , tuinman op het kasteel van Pontchartrain. k. Voor eene verzameling van Araucaria' 's imbricata :

2e prijs aan den Heer Oudin (ainé). II. planten voor de warme kas. Deze waren bij dit concours niet van veel beteekenis. Een le prijs werd toege- kend aan den Heer Chantin voor 20 planten met indrukwek- kende bladen; een 3e prijs aan den Heer Lassus voor 12 planten uit die zelfde rubriek : eindelijk een I e prijs aan den Heer "\ erschaffelt voor 6 planten , welke uitmuntten door krachtigen groei en goede kuituur. Die planten waren :

86

GEMENGDE BERICHTEN.

ingezonden

Heer Falaise Jr. voor hunne werd toegewezen.

VIL groenten en vruchten (geforceerde)

ViolcCs tricolor

weder was onder deze rubriek niet veel ingezonden

Ook thans . Evenwel

werd aan de Société de Clermont een le prijs voor de grootste verzameling groenten , en aan den Heer Loos Lhéraut een le prijs voor zijne Aspergies toegekend.

Het oordeel over de vruchtboomen op stam, dat eigenlijk reeds vroeger, nl. gedurende de eerste veertiendaagsehe ten- toonstelling had behooren te worden uitgesproken , maar toen om bijzondere redenen was uitgesteld , werd in deze zitting openbaar gemaakt.

De Heer Cochet behaalde een len prijs voor zijne » en palmette" gesnoeide boomen , en de Heeren Janin en Durand een len , de Heer H. Croüx een 2en, de Heer Deseine een 3en , en de Heeren Defresne , Honoré en Gillekains eene eervolle vermelding voor hunne pyramiden. Verder werd aan den Heer Chevalier van Montreuse een le prijs voor eene verzameling gefatsoeneerde Perziken; aan de Heeren Janin en Durand een 3e prijs voor 4 Abrikozen ,• aan den Heer Croux voor zijne Steenvruchten; aan de Heeren Janin en Durand voor 4 Pruimen , en aan den Heer Eose Char- meux voor zijne tuin- Wijnstokken , eene eervolle vermelding toegekend. Ook meende de jury dat aan den Heer Forest , den kweeker der boomen van den Heer Cochet , een le prijs voor zijne verdienste in deze behoorde te worden aangeboden.

De uitkomst der 2e veertiendaagsehe tentoonstelling was deze: dat er voor 76 vragen 87 personen hadden ing-ezon- den , en dat het aantal verzamelingen van planten 1 27 be- droeg. Door den jury werden toegewezen 25 eerste , 17 tweede , 1 7 derde prijzen en 20 eervolle vermeldingen , te samen 79 belooningen. Hiervan vielen er ten deel 5 aan

1

GEMENGDE BERICHTEN.

Engeland , 5 aan België , 4 aan Nederland , 1 aan Pmissen en 64 aan Frankrijk.

In de Revue horticole van den Moniteur las men onlangs eene mededeeling van den maarschalk Vaillant , welke hij verschuldigd was , aan een scheepskapitein , die uit Senegal teruggekeerd was en daarin bestond , dat de negers dier streken , om groote en lekkere watermeloenen te bekomen , in den top der jonge vrucht eene opening maken , de eitjes daaruit halen, en dan de wond weder toestoppen.

Het zoude wel der moeite waard zijn , bij de meloenen het zelfde te beproeven , en na te gaan of deze vruchten , door de boven bedoelde behandeling , in geur konden winnen.

Ten einde meloenen of pompoenen van een regelmatigen vorm te verkrijgen , raadt de Heer Carrière aan {Revue Horticole, 1867, p. 200), de jonge vruchten, zoodra zij gezet zijn , een rechten stand te geven. Dit voorschrift be- rust op de overweging- , dat elke vruchtsteel eenige vaat- bundels of strengen bevat, langs welke de voedende stoffen uit de stengels of takken naar de vrucht worden heengedre- ven ; dat het brengen van die vaatbundels onder gelijke voorwaarden tot eene gelijkmatige verspreiding- der vochten in de vrucht kan medewerken ; dat die vaatbundels echter in den natuurlijken staat van zaken niet aan de zelfde voor- waarden onderworpen zijn , en wel doordien de meloenen of pompoenen overhangen , waaruit voortvloeit , dat de vaatbun- dels aan de eene zijde des vruchtsteels in een geheel ande- ren . meer g-edrukten , toestand verkeeren dan aan de tegen- overgestelde ; dat uit die drukking eene ongelijkmatige ver- spreiding van vloeistoffen moet ontstaan ; eindelijk , dat deze

/

GEMENGDE BERICHTEN.

laatste , door het overeind zetten van den vruchtsteel , geheel of grootendeels moet worden opgeheven.

In een der laatste nummers van den Gardener's Chronicle verklaart de Heer Standish , dat Skimmia oblata en S. fra- grantissima , die men tot op heden voor twee verschillende soorten gehouden heeft , inderdaad tot ééne soort behooren , doch zóó , dat gene daarvan de vrouwelijke , deze de man- nelijke individuen vertegenwoordigt.

Onlangs vertoonde Dr. Hooker aan de » Linnean Society" eenige exemplaren van Myrmodia tuberosa [Nidus germinans formicarum van Rumphius) , hem van Malacca toegezonden door den Heer Collingwood. De merkwaard ig-heid dezer plant bestaat hierin , dat haar stengel , die den vorm heeft van een knol , tot verblijf strekt aan eene soort van mieren , die daarin dan ook in allerhande richtingen een tal van gangen maken. Vreemd is het , dat genoemde dieren de wanden dier gangen met eene taaie kleverige stof over- trekken, zóó, dat wanneer de knol in ontbinding is over- gegaan , men daaruit het stel van vertakte buizen kan los prepareeren.

Aan de Maatschappij van Tuinbouw, gevestigd te Lon- den , werd onlangs door den Heer Wilson , tuinier bij den Heer W. Marschall te Enfield eene fraaie verzameling Catt- leya's ter bezichtiging aangeboden , waaruit , zooals vroeger door den Heer Bateman verzekerd werd, kon worden afge- leid , dat Cattleya pattida , C. Trianaei , C. quadricolor , C. Wagneri en C. Warszewiczii geene op zich zelven staande soorten , maar verscheidenheden van een en denzelfden type zijn.

I

GEMENGDE BERICHTEN.

De Heeren Montreuil en C°. , fabriekanten van chemica- liën te Clichy-la-Garenne bij Parijs (9 , rue Bonnet) hebben bekend gemaakt, dat bij hen te verkrijgen is eene vloeistof , «liquide ampéliatrique" g-eheeten , g'eschikt om de ontwikke- ling van de druivenziekte te voorkomen of tegen te gaan. Deze vloeistof wordt , in de hoeveelheid van een bierglas , aan den voet der Wijnstokken in een daartoe gegraven kuiltje uitgestort, doch dit, eenige uren later, weder met aarde gevuld. De eerste aanwending van het vocht heeft plaats tegen het einde van April , als de planten beginnen uit te loopen , en de tweede ten tijde van den bloei. De Heeren Montreuil en C°. verzekeren , dat tal van gunstig afgeloo- pen proeven hen in staat hebben gesteld , de verzekering- te geven, dat hun «liquide ampéliatrique" niet minder dan zwavel , de aandacht der bezitters van wijnbergen verdient.

De » Société botanique de France" heeft aangekondigd, dat zij van 26 Juli tot 23 Augustus wekelijks , des Vrij- dags, eene zitting" zal houden, en dat op die zittingen zul- len worden voorgelezen rapporten , over verschillende onder- deden der algemeene tentoonstelling, op de plantenkunde betrekkelijk, van te voren in gereedheid gebracht. Tusschen elke twee zittingen in , zullen er bezoeken aan de tentoon- stelling en aan de wetenschappelijke instellingen van Parijs gebracht worden , terwijl eindelijk in de week tusschen 1 6 en 23 Augustus een internationaal botanisch Congres zal worden gehouden.

In de jongst verschenen 7 10 aflevering van het XVIe deel der Flore des Serres van den Heer van Hoütte zijn afgebeeld :

JJodecatheon Jeffreyi Hort. , Higginsia regalis Hook. ,

GEMENGDE BERICHTEN .

Fittonia argyroneura Coem. , Uydrangea paniculata var. gran- dijlora v. Sieb. , Grijfinia Ilyacinthina maxima L. v. H. , Sedum maximum versicolor L. v. H. , Lychnis Senno flore striato , Naegelia (varietates chromatella , cymosa , Lindleya- na , rosea punctatissima) , Zea japonica fol. albo-vittatis , Ma- ranta roseo-picta Linden , Scilla sibirica Andr. , Anemone coronaria (jï. plenis , in 3 verscheidenheden) , Ranunculus asiaticus [fl. plenis , in 6 verscheidenheden) , Crocus vernus (verscheidenheden : Omer Pacha , Grand jaune , Scottish , Mammouth, Drapiï'Or, Louis Napoléon, Albion, Ie Nuance, Argus, Montblanc , Béranger), enkele vroege Tulpen [Junger gelber Prinz , Jagt van Rotterdam , Pottebahker blanc, Came- leon, Matelas rosé, Uorothea, Grootmeester van Malta, Gou- den standaard , Vitte de Haarlem), dubbele vroege Tulpen [Couronne de Poses, Gloria Solis (goudbont), Mariage de ma fitte , Regina rubrorum , Pex rubrorum) , de Tulp Lak van Rhijn met goudgeel gerande bladen , Cattleya citrina Lindl. , Scutellaria costaricana Wendl. , Maranta illustris Linden, Magnolia Lennei. Laatstgenoemde soort wordt door van Houtte gehouden voor eene bastaard van M. Yulan en M. purpurea.

In den jaargang 1866 van Morren's Belgique Horticole werden afgebeeld: Azalea vittata var. Beali, Begonia comte Al/red de Limminghe, Billbergia Glijmiana de Vk. , Dian- thus multiflorus var. Emile Pare, Ecliinopsis Zuccarinii Ott. var. Rolandi, Epiphyllum truncatum Haw. , Lithosper- mum fniticosum L. , Passiflora fulgens Wallis , Pelargonium zonale var. Gloire de Nancy , Primula praenitens B. Beg. , Selaginella Martensi Spr. var. variegata . Ulmus campestris L. var. aurea.

Gfonmten J.B Wolters

1 Alberlus . ^ Lord Paiunure. ó Picta.

2 Riicemosa . 4 Rnbolla . <i Picüirala

7 Miiitcrllv.

riiionioiiüi i i.i

Het geslacht Epacris , uit de natuurlijke familie der Epa- cridaceeëri, behoort te huis in Nieuw-Holland en Nieuw- Zeeland, en telt een aanzienlijk getal soorten, waarvan verscheidene , met hare door kruising voortgebrachte variëtei- ten, in onze tuinen als sierplanten gekweekt worden. De Epacrissen behooren tot de lage heesters , en onderscheiden zich , behalve door haar slank voorkomen , ook nog door hare altijd groene fijne bladen , en door hare , naar den top der takken, tot slanke trossen vereenigde bloemen. Elke bloem wordt door een groen blaadje ondersteund; naar mate men zich echter van het lagere tot het hoogere gedeelte der bloemtrossen wendt , ziet men die blaadjes kleiner worden en ook van vorm eenig-szins veranderen. De steng-elbladen der Epacrissen zijn veelal ongesteeld en óf hartvormig , óf niet. Zijn zij niet hartvormig , dan naderen zij meestal tot den lancetvorm , hoewel ook ei-lancetvormige bladen kunnen voorkomen.

De bloemen der Epacrissen zijn samengesteld uit een 5- slippigen kelk , welks voet door een zoogenoemd bijkelkje omgeven is ; eene buisvormige bloemkroon met 5 horizontaal uitstaande slippen ; 5 meeldraden en 1 stamper. De laatste heeft een vrijen eierstok , die door 5 schubbetjes ondersteund wordt , 1 stijl en 1 stempel. Na de bevruchting blijft er eene vijf bokkige doosvrucht met talrijke zaden over, die met kleppen openspringt.

EPACEIS.

De bloeitijd van vele Epacrissen valt in met den winter en het voorjaar , en de kleur der bloemen is wit of rood met de daartusschen gelegen schakeeringen.

De Epacrissen verlangen , om goed te gedijen , een meng- sel van ongeziften heigrond en zand , en een goed gedrai- neerden bodem. Volgens den kweeker van Houtte , geeft men ze in Eng-eland over het algemeen een mengsel van blad- en van eene andere gele aarde, die, hoewel vrij vast, echter licht voedend is. Op het vaste land echter mogen de Epacrissen in dien g-rond niet blijven staan , maar behoort men ze in heiaarde over te zetten. Het verpotten heeft plaats in Augustus.

Des winters bewaart men de Epacrissen in eene luchtige kas, die eer vochtig' dan droog- gehouden moet worden, en plaatst men ze zoo dicht mogelijk bij het glas. De planten behooren dan wel is waar minder overvloedig- dan 's zomers begoten te worden , maar mogen toch nimmer te lang van water verstoken blijven , als men ze goed gezond houden wil.

Des zomers kan men de Epacrissen in de schaduw zetten , als het minder op bloemen dan op het behoud van de fraaie donkergroene kleur der bladen aankomt ; veel bloemen echter worden niet dan onder den invloed van het zonlicht voort- gebracht , dat echter op het midden van den dag getemperd moet worden. Om het te spoedig uitdroogen te voorkomen , is het dienstig , de potten tot onder hun rand in den grond te zetten.

De vermenigvuldiging- der Epacrissen heeft plaats door zaad of door stekken.

Tot de meest gekweekte soorten behooren E. impressa , grdndifiora , mim&ta, pulchella en variabilis.

u:

te», '^j,.-^"

-•■

-

PRUNUS PUDDUM WALL. ( var flor roseis plenis )

PRUNUS PUDDUM wau.

VAR. FT.ORIBÜS ROSEIS PI.ENIS.

iSynonyma: Cerasus Pseudocerasus Lixdl. et Cerasus Siebold{t)ii Carrière in lïevue Hortic. 1866, p. 371.)

De hier afgebeelde plant komt in den in 1867 uitgege- ven catalogus van de kweekerij van wijlen den Heer von Siebold voor als Cerasus (Prunus) Pseudocerasus Lindl. florïbus roseis plenis. Dewijl het echter uit de nieuwste onderzoekingen van den Hoogleeraar Miquel aangaande de flora van Japan , bekend gemaakt in zijne Annales Musei botanici Lugduno-Batavi, Tom. II, gebleken is, dat Lindley's Prunus Pseudocerasus niet onderscheiden is van Wallich's Prunus Puddum, en de laatste naam, als de oudste, bewaard dient te blijven , zoo hebben wij de vrijheid genomen , dezen , in plaats van den door von Siebold aangegevenen , aan het hoofd van dit opstel te plaatsen.

Onze afbeelding is de tweede, die er van die plant in het licht verschijnt. De eerste vindt men in de Revue Hor- ticole , 1866, en dat wel met het bijschrift Cerasus Sie- boldtii , geheel ten onrechte en zonder eenige reden door Carrière voor den von Sieboldschen naam in de plaats ge- steld. Buitendien beging Carrière de fout om aan den naam van von Siebold eene t toe te voegen.

Primus Puddum Wall. flor. roseis plenis werd het eerst in 1864, ten tijde van de internationale bloemen-tentoonstel- ling te Brussel , aan het publiek ter aanschouwing aange- boden , en toen met een 2en prijs bekroond.

PRUNUS PUDDUM.

Volgens Carrière , moet de eerste invoer van de bedoelde plant toegeschreven worden aan den Heer Fortune, en bracht de Heer Standish haar , onder den naam van Doublé Japo- nese Cherry , het eerst in den handel. Het exemplaar echter, dat op de Brusselsche tentoonstelling eene bekrooning mocht wegdragen, behoorde aan wijlen den Heer von Siebold, en werd aangekocht - door de Heeren Thibaut en Keteleer te Parijs. In den catalogus van von Siebold van 1867, wordt de prijs van een exemplaar van Prunus Puddum flor. roseis plenis op 10 15 francs berekend.

Onze plant is geschikt voor den vollen grond, en kan vrij wat koude doorstaan. In potten gekweekt , kan zij desniet- tegenstaande tot rijken bloei gebracht worden. Wegens hare dubbele bloemen, zet zij geene vrucht aan. Volgens Car- rière , laat zij zich niet enten , maar wel zeer goed stekken.

Prunus Puddum var. fl. roseis plenis is een zeer vertakte , forsche , heesterachtige boom , met verspreide vrolijk groene bladen , waaraan men , behalve eene zeer lang uitgerekte punt en zeer duidelijke nerven en aderen , talrijke fijne en dicht opeenstaande tanden waarneemt. Elk blad heeft , al- thans in den beginne , twee wigvormige steunblaadjes aan zijn voet, die naar voren in fijne wimpers uitloopen, en soms daarenboven in het midden gespleten zijn. Aan de bladstelen neemt men , nabij hun overgang in de bladschijf, twee rondachtige roode kliertjes waar , die echter later op- droogen en minder zichtbaar worden.

De bloemen onzer plant zijn licht rozerood van kleur , niet geheel gevuld , en bestaan voor het grootst gedeelte uit omgekeerd-cironde , in het midden even uitgesneden bloem- bladen.

II. WETENSCHAPPELIJKE MEDEUEEL1NUEN.

OVER DEN SCHADELIJKEN INVLOED VAN KWIKDAMP OP DEN PLANTENGROEI EN HET MIDDEL OM DIEN INVLOED TE KEEREN.

Onlangs werden door den Hoogleeraar Boussingault te Parijs de uitkomsten bekend gemaakt van eenige proeven , welke ten doel hadden , den invloed na te gaan van kwik- damp op den plantengroei , en dat wel in navolging van hetgeen dienaangaande reeds in 1797 door drie Nederland- sche geleerden : Deiman , Paats van Tkoostwijck en Lau- werenbuugii was bekend gemaakt. Boussingault gevoelde zich te meer opgewekt, die proeven te herhalen, omdat hij persoonlijk de zekerheid wilde erlangen of het hoogst een- voudige middel , door de Nederlandsche geleerden gebezigd om de werking der kwikdampen tegen te gaan of te ver- lammen , inderdaad als zoodanig vertrouwen verdiende.

De schadelijkheid van kwikdamp voor planten , werd door eene zeer eenvoudige proef al zeer spoedig buiten twijfel ge- steld. Den 16cn Juni 1866 werden, ten 8 ure des avonds, twee Petunia's , in potten gekweekt , en elk van 7 bladen en 2 bloemen voorzien , elk afzonderlijk onder eene glazen klok geplaatst van 8 liters inhoud , en wel zóó , dat de opening van de klok door water van de buitenlucht was afgesloten. Eene dier Petunia's werd aan zich zelve over- gelaten ; ter zijde van de andere echter werden , vóór het begin der proef, twee bakjes met kwik op de aarde neerge- zet, elk met eene oppervlakte van 36 centimeters. Beide toestellen werden in een tuin geplaatst , zonder andere voor- in

kwikdamp blootgesteld , gepaard gaat met eene wijziging in

der lucht te ontleden.

Het middel , door Deiman , Paats van Tkoostwijck en Lauwehenbuügh voorgeslagen , om het kwik zijn verderfelijke!)

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

zorg dan dat de klokken naar de zuidzuide , ter tempering" van de zonnewarmte , van buiten met kalk bestreken werden.

Den 17en Juni, te 6 ure 's morgens , hadden de bladen der met kwik behandelde Petunia reeds al hun glans ver- loren. Den 18e" Juni, was, omstreeks den zelfden tijd, het onderste blad verlept en met zwarte vlekken bedekt, terwijl op de hoogere bladen reeds grijze vlekken te bespeu- ren waren. Den 19en Juni, te 6 ure 's morgens , warende onderste bladen allen geheel verlept, zwart, en hangend; de hoog-eren gevlekt en een weinig' naar onder a'ebo»-en. Den 20en Juni, te 6 ure 's morgens, had de geheele stengel eene overhangende houding aangenomen en waren eenige der hoogste bladen ontkleurd. Eindelijk, den 2 P" Juni, waren alle bladen dood en de bloemen , nogtans zonder van kleur veranderd te wezen, afgevallen.

De andere Petunia, die aan zich zelve was overgelaten, had hare oorspronkelijke frischheid en kracht , gedurende al dien tijd , volkomen behouden.

Uit de proef met het kwik was dus gebleken , dat een verblijf van 82 uren in een atmosfeer, waarin kwik gele- genheid gehad had , bij eene gemiddelde temperatuur van 31" C. , te verdampen, genoegzaam geweest was om de hier boven nader omschreven Petunia al hare bladen te doen ver- liezen.

Door eene reeks van andere proeven , werd door Bous- singault uitgemaakt , dat het ziek worden van bladen , aan

<

\ hunne verrichting, hierin bestaande, dat zij, onder den in-

C * .

vloed van het licht, niet meer in staat zijn het koolzuur

WETENSCHAPPELIJKE MBDEDBELINGEN,

iuvloed op den plantengroei , in besloten ruimten , te ontne- men , bestond in de aanwending- van zwavelpoeder of' zwa- velbloem , eenvoudig tegen den binnenwand der glazen klok gestreken.

BorssiNGAULT , zijne voorgangers volgend , nam den 22en Juli twee exemplareu eener soort van Mentha , eu plaatste die elk ouder eene glazen klok van 10 liters inhoud, onder dien verstande , dat in beide klokken de zelfde oppervlakte (40 D cent.) kwik aan verdamping werd blootgesteld , doch aan de binnenzijde van slchts ééne der klokken eene opper- vlakte van ongeveer 1 decim. met zwavelbloem bestreken werd. Wij voegen er bij , dat bij deze proeven , door de aan- wending van een laag en een hoog kwikvat , gezorgd werd , dat de kwikdampen zich binnen de geheele ruimte der klok- ken gelijkelijk ontwikkelen konden.

Den 23°" Juli, 's morgens te 8 ure, d. i. 16 uren na 't begin van de proef, was de plant in de niet gezwavel- de klok reeds sterk aaugegrepeu , en hadden hare bladen meest allen eene donkergrijze tint aangenomen ; den 24en Juli, te 12 ure 's middags , wareu zij zwart en hangend; den 26en Juli , des middags , dood en verdroogd. De ther- mometer had gedurende al die dagen niet lager dan 16° en niet hooger dan 26° C. geteekend.

De plant in de met zwavel bestreken klok vertoonde den 26cn Juli geen spoor van achteruitgang, ja, verkeerde zelfs den 7eu Augustus nog in den meest wenschelijken staat van gezondheid.

De hier medegedeelde proeven werden herhaald met afge- sneden takken van den Perzik en met Vlasplanten , maar leverden altijd het zelfde resultaat.

Het bederfweerend vermogen van zwavel ten opzichte van kwikdampen was derhalve voldingend gebleken ; ja zelfs werd

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

nog daarenboven vastgesteld , dat het bezwavelen van eene plant , zooals men zulks gewoon is bij den Wijnstok te doen , ter voorkoming van de ontwikkeling van Enjsifhe (Oïdium) Tucheri , geheel de zelfde uitkomsten oplevert.

De vraag bleef nu aan Boussingault ter beantwoording over, hoe men zich voorstellen moet dat de zwavel in de bedoelde gevallen werkte , daar toch de Nederlandsche schei- kundigen zulk eene verklaring niet hadden beproefd.

Het antwoord, door Boussingault gegeven, luidde: men kan zich de werking van de zwavel ten opzichte van het verdampte kwik niet anders voorstellen , dan door aan te nemen , dat ook de zwavel verdampt , en uit de ontmoeting van beiderlei dampen de vorming van zwavelkwik voortvloeit. De juistheid dezer stellingen werd door B. nader bewezen door eenige proeven , waarvan de eerste strekte om aan te toonen , dat kwik , onder omstandigheden als de vroeger aan- gegevene , werkelijk verdampt ; de tweede , dat zwavel , onder de zelfde omstandigheden, ook verdampt; de derde, dat , als zwavel en kwik in elkanders nabijheid zijn , er voor het laatste geene gelegenheid bestaat , zijne dampen onver- anderd uit te stoöten.

Dat kwik onder eene glazen klok , bij temperaturen als waarbij de proeven met planten genomen werden , verdampt , werd bewezen door in zulk eene klok een blinkend gouden of zilveren plaatje op te hangen , en dit vóór en na de proef te wegen. Telkens bleek het, dat zulke plaatjes in gewicbt waren toegenomen , en dan weder door de gloeihitte tot hare vorige zwaarte konden worden teruggebracht. Dat zwa- vel , onder de zelfde omstandigheden , ook verdampte , bleek daaruit , dat een zilveren plaatje , boven zwavel opgehangen , eene bruinachtige tint aannam , terwijl toch bewezen werd , dat hier geen ozon in het spel had kunnen wezen. Einde-

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN

lijk, dat kwikdampen , bij de aanwezigheid van zwavel, zich niet onveranderd kunnen verspreiden , werd daardoor aangetoond, dat, van twee gepolijste gouden plaatjes, het eene opgehangen werd boven een bakje kwik , het andere even- eens , maar zóó , dat tusschen het bakje kwik en het plaatje een bakje zwavelbloem werd aangebracht; en verder, dat het eerste plaatje, na 8 dagen, 10 milligram, het tweede slechts '2 milligram in gewicht was toegenomen , en dat het eerste , na gegloeid te zijn , eene doffe oppervlakte verkreeg, het tweede haar oorspronkelijk glanzig uiterlijk terug bekwam. Uit de laatste bijzonderheid kon worden opgemaakt , dat de toeneming in gewicht van 2 milligrammen niet aan eene nederzetting van kwik , maar wel aan die van zwavelkwik uit de omringende lucht behoorde toegeschreven te worden.

Üe derde wedstrijd der internationale bloemen-tentoonstelling te Parijs, heeft plaats gehad van 1 15 Mei 11. en de vol- gende uitkomsten opgeleverd. Vooraf ga de opmerking, dat, ofschoon het zwaartepunt van dit concours in de Azalea's

Uit de hier medegedeelde proeven van Boussingault kan blijken , hoezeer onweegbaar kleine hoeveelheden van bepaalde stoffen in staat zijn , aan den atmosfeer eigenschappen mede te deelen , waarvan de uitwerking op planten verbazing- wekkend is. Zij geven daarenboven aanleiding tot de vraag , of zwavel , iodium en ozon , van welke stoffen de aanwezigheid in de lucht nu en dan kan worden aangeho- men , niet in staat geacht zouden kunnen worden , den scha- delijken invloed van moerasdampen b.v. tegen te werken.

III. GEMENGDE BEIUCHTEN.

GEMENGDE BERICHTEN.

indica gelegen was , de aandacht der kweekers toch voorna- melijk op de bijkomende expositiën gevestigd was , omdat deze eene uiterst belangrijke hoeveelheid nieuw ingevoerde planten bevatteden. De derde vraag van het programma, in 4 onderdeelen gesplitst, was dan ook enkel met het oog op zoodanige planten voorgesteld.

I. AZALEA'S.

a Voor de grootste verzameling Azalea's : lc' prijs aan de Heeren Thibaut en Keteleer te Parijs ; 2e prijs aan den Heer van Acicer , tuinman te Fromont-a-Ris ; 3e prijs aan den Heer Grangé te Orleans.

b. Voor 50 verscheidenheden van Azalea's: le prijs (ex aequo) aan de Heeren D. Vervaene en Ambr. Ver- schaffelt , beiden te Gend.

c. Voor 25 verscheidenheden van Azalea's : prijs aan den Heer de Graet-Bracq , liefhebber te Gend : 2e prijs aan den Heer Beukelaer , kweeker te Brussel.

d. Voor 12 verscheidenheden van Azalea's, uitmuntend door g-oede kweeking : 2e prijs aan den Heer de Graet-Bracq.

e. Voor 6 verscheidenheden van Azalea's , uitmuntend door goede kuituur: F prijs aan de Heeren Veitch and Sons; 2e prijs aan de Heeren Jos. Vervaene en C°. te Gend; 3e prijs aan den Heer de Graet-Bracq.

/'. Voor ééne Azalea, uitmuntend door goede kuituur: le prijs aan den Heer D. Vervaene [Azalea concinna) : 2e prijs aan de Heeren Veitch and Sons [Azalea rosea elegans) ; 3e prijs aan de Heeren Jos. Vervaene en C°. [Azalea rosea odorata) ; 4e prijs aan den Heer de Graet- Bracq [Azalea Etendard de Flandre).

ff. Voor 12 nieuwe verscheidenheden van Azalea's, sedert 1865 in den handel gebracht: le prijs aan den Heer van der Cruijssen te Gend (in de verzameling blonk

99

GEMENGDE BERICHTEN.

vooral uit de verscheidenheid Souvenir de F ' Exposition Hiiiterselle de 1864, met bloemen van 12 centimeters wijd) ; 2' prijs aan Mevr. Maenhaut te Gend ; eer- volle vermelding aan de Heeren Joseph Veevaene en C°. en Jean Veevaene fils, beiden te Gend.

//. Voor eeue verzameling- van nieuwe verscheidenheden van Azalea's, uit zaad verkregen: le prijs aan den Heer D. Veevaene (bijzonder geroemd werd in de verzame- ling de Ai. Comtesse de Flandrè] ; 2L' prijs aan den zelfden ; 3' prijs aan den Heer Beukelaer.

Over het geheel waren er meer dan 1000 Azalea's ten toon gesteld.

II. RHODODENDRONS.

a. Voor 25 planten, uitmuntend door keur van verschei- denheden: 3' prijs aan den Heer de Graet-Bracq.

b. Voor 12 goed gekozen verscheidenheden van Rhodo- dendrons : prijs aan den Heer de Graet-Bracq.

c. \ oor G verscheidenheden van Rh. uitmuntend door krach- tige ontwikkeling: 1'' prijs aan den Heer de Graet-Bracq.

d. Verzameling van nieuwe verscheidenheden, uit zaad ver- kregen: le prijs aan den Heer van Eeckaute te Gend; 2L' prijs aan de Heeren J. Veevaene en C°: 3C prijs aan den Heer Louis de Smet te Gend : eervolle ver- melding aan den Heer Ambr. Vebschaffelt.

III. NIEUWE PLANTEN. ONVERSCHILLIG VAN WELKEN AARD.

a. Voor 6 onderscheiden, nieuw ingevoerde, planten: 1L prijs aan den Heer J. Linden te Brussel [Ficus de- albata, Bignonia ornata, IJichorisandra musaica, Ma- ranta virginalis , Maranta princeps , eene epiphytische Commelyiiacee) ; prijs aan de Heeren Veitch and Sons (eene Philodendron van Peru, Crotoa Veitchii , Aralia Veitch ii, Dracaena regalis, Sanchezia nobilis variegala,

GEMENGDE BERICHTEN.

Dracaena magnifica) ; 3C prijs aan de Heeren Veitch and Sons ; eervolle vermelding' aan den Heer J. Linden.

b. Voor 15 nieuwe planten, uitmuntend door weelderige ontwikkeling' : lc prijs aan den Heer J. Linden (het belangrijkst waren in deze verzameling- Dichorisandra undata, Eranthemvm igneum, Maranta illustris , Ma- ranta Legrelliana , Maranta Wallis ü, Philodendron Lin- deniannm).

c. Voor nieuw ingevoerde warme-kasplanten : le prijs aan de Heeren Veitch and Sons {Croton Hookerianum , Ma- raitia sp. , Diejfènbachia gigantea , Maranta tubispatha, Panicmn variegatum, Bertolonia sp., Drosera sp).

d. Voor eene verzameling' van uitgezochte nieuw inge- voerde planten, zonder bepaling' van aantal: le prijs aan den Heer A. Verschaffei.t . 2e prijs aan den Heer H. Bull te Londen.

IV. ELOEIENDE ORCHIDEEËN VOOR DE WARME KAS : le pi'ijs

aan den Heer Luddemann te Parijs ; 2C prijs aan de Heeren Thibaut en Keteleer.

V. PLANTEN TER VERSIERING VAN VERTREKKEN : lu prijs aail

den Heer Chantin ; 2e prijs aan den Heer Luddemann.

VI. voor bloeiende stamrozen : lc prijs aan den Heer Hippolyte Jamain te Parijs.

VII. vcor bloeiende tulpen.

a. Voor bloeiende Tulpen in pot : eene eervolle vermel- ding aan den Heer Thibaut-Prudent.

b. Voor afgesneden Tulpen : lc prijs aan den Heer Ragnau te Voulpenies ; 2e prijs aan den Heer Guenot te Parijs ; 3e prijs (ex aequo) aan de Heeren Duvivier te Parijs en Barnaart te Haarlem ; eervolle vermelding aan den Heer Krelage te Haarlem en aan den Heer Loise- C ii au vi èr e te Parijs.

101

GEMENGDE BERICHTEN.

VIII. voor bloeiende violen ( V. tricolor) : 2e prijs aan den Heer Henry Charles te Bagneux ; 3e prijs aan den Heer Moulard te Levallois ; eervolle vermelding- aan den Heer Gabriel Oudin te Meudon.

IX. voor bloeiende reseda's : prijs aan de Heeren VuEAüx, Duvaux en C°. te Parijs.

X. voor aspergies : le prijs aan den Heer Louis Lhéraut te Artrenteuil ; prijs aan den Heer Lhéraut Salboeuf ; eervolle vermelding- aan den Heer Duriez te Sablons.

XI. voor groenten van den vollen grond : prijs aan de Société d'Horticulture van Clermont ; 3e prijs aan den Heer Chardine te Pierrefïtte.

XII. voor ananassen : le prijs aan den Heer Crémont te Sarcelles.

XIII. voor verschillende vruchten : 2' prijs aan den Heer Leroy te Konba (in Alg-erië); eervolle vermelding aan den Heer Parfait Jio te Montevideo (voor eene mand met peren).

XIV. voor druiven : le prijs aan den Heer Rosé Char- meux; 2e prijs aan den Heer Constant Charmeux.

Aan het einde van dit verslag- waaraan wij nog- kun- nen toevoeg-en, dat eene niet onaanzienlijke hoeveelheid prijzen extra ordinem toegekend werden aan Mevr. Legrelle d'Hanis, den Heer J. Linden, de Heeren Veitch and Sons , enz., en verder , dat , op het gebied der arboricultuur , nog een 2e prijs aan den Heer Oudin, en een 3e prijs aan de Heeren Jamin en Uurand werd gegeven voor hunne vruchtboomen op stam doen wij opmerken , dat geene inzendingen heb- ben plaats gehad van , of althans geene bekrooningen zijn weggedragen voor Ixia's en Sparaxissen , boom- en kruid- Pioenen , Clematissen, gevulde bloemhangers , Auricula's, Cheirantussen , Gladiolussen , Champignons en Meloenen , die toch allen gevraagd zijn geworden.

GEMENGDE BERICHTEN.

Verder blijkt , dat aan den '3™ wedstrijd hebben deelge- nomen 96 exposanten voor 69 vragen , en dat 84 belooningen werden uitgereikt , als : 24 eerste , 25 tweede , 1 6 derde prijzen en 19 eervolle vermeldingen. Van genoemde beloo- ningen vielen er ten deel : 35 aan Belgen , 2 aan Neder- landers , 1 aan een inwoner der provincie Urugay ; 7 aan Engelschen ; 39 aan Fransclien en inwoners van Franscbe koloniën.

In de Revue horticole (1867, p. 224) wordt medegedeeld, dat er van verschillende zijden berichten zijn ingekomen aan- gaande het verloopen der Robinia Pseuclacacia var. Decais- niana , omtrent welke plant wij op blz. 25 van den T" jaargang van dit tijdschrift eene korte mededeeling hebben ten beste gegeven. De bedoelde plant, eene roodbloemige verscheidenheid van de gewone Acacia onzer parken (met witte bloemen), sloeg in 1862, onder zaailingen van deze laatste , op in de kweekerij des Heeren Villevieille te Manosque (Basses-Alpes). Tegenwoordig keert zij tot hare stamsoort terug , en hebben hare roode bloemen weder voor witte plaats gemaakt. Daar het klimaat der Basses-Alpes heet genoemd kan worden , werpt de redactie der Revue horticole de vraag op , of ook de koelere lucht van andere streken van Frankrijk tot de hierboven bedoelde verande- ring- zou hebben kunnen bijdragen.

Uit het laatste rapport aangaande het gesticht »la Muette" te Parijs , 't welk de publieke tuinen , boulevards , enz. , der hoofdstad van plantsoen voorziet , blijkt , dat er aan die in- richting, gedurende 1865, 101 tuinlieden en leerlingen werk- zaam waren; dat door haar in het zelfde tijdsverloop 1,575,500 planten en daarenboven 3187 Coniferen werden afgeleverd,

GEMENGDE BERICHTEN.

en dat de kosten voor elke plant (dooreen gerekend) niet meer beliepen dan 13 centimes.

Het batig saldo , 't welk de internationale bloemen-tentoon- stelling te Londen in 1866 beeft opgeleverd, zal door de Royal Hortieultural Society besteed worden tot liet aanleggen van eene bibliotheek , op den tuinbouw in den ruimsten zin betrekkelijk. De kern dier verzameling zal bestaan uit de boekerij van wijlen Prof. Lindley , die reeds vroeger door de Royal Hortieultural Society werd aangekocht.

In liet » Gardener's Magazine" (8 Juni 1867) komt een bericht voor , inhoudende dat het Victoria-park , aan het oost- einde van Londen gelegen , gevaar loopt van tot § zijner uitgebreidheid te worden teruggebracht, doordien eene com- missie tot het bouwen van nieuwe woonhuizen zich tot de Regeering gewend heeft met het verzoek , haar ^ van de oppervlakte van voornoemd park tot het uitvoeren harer plannen af te staan. De redactie van het Gardener's Ma- gazine herinnert , hoe , in 1 866 , de aanvrage eener Maat- schappij voor gasbereiding om op een gedeelte van het Victoria- park eene fabriek te mogen oprichten , ten gevolge van de dringende vertoogen der bewoners van het oosteinde van Lon- den, niet was ingewilligd geworden, en dringt er nu bij een ieder, die prijs stelt op het ong-eschonden voortbestaan dier fraaie wandelplaats , op aan , zich opnieuw tot de Regeering te wenden en alle pogingen in het werk te stellen , het drei- gende gevaar af te wenden. Reeds op dit oogenblik is het Victoria-park met zijne 290 «acres" oppervlakte ter nauwer- nood g-root genoeg om de daarheen stroomende menigte , meerendeels tot de behoeftige arbeidende klasse behoorend , te kunnen bevatten , en het zou derhalve in den volsten zin des

104

GEMENGDE BERICHTEN.

woords noodlottig mogen heeten , zoo men die lieden nu nog i ontroofde van den grond , waarop zij , na volbrachten arbeid , frissche lucht kunnen scheppen. Hierbij komt nu nog, dat het oosteinde van Londen het minst gezonde gedeelte dier stad is ; dat aldaar talrijke fabrieken bestaan ; dat ontzaggelijk vele armen er dicht opeen wonen : dat er een onvoldoende afvoer van water bestaat , en dat , ten gevolge van al die omstandigheden, zoowel moeraskoortsen daar aanhoudend voor- komen , als andere ziekten , zooals cholera , zich daar bij voor- keur nestelen. Victoria-park is zeer eigenaardig door de redactie van het Gardener's Magazine uitg-edrukt eene der longen van Londen , en behoort , als zoodanig , ongestoord bewaard te blijven. Een voorstel als het thans door de bouw- commissie aan de Eegeering ingediende , zou , indien daarin van de parken aan het westeinde van Londen gesproken was , met hoongelach begroet worden , omdat die wandel- plaatsen ook door de grooten bezocht worden ; maar met het zelfde recht mogen dan ook de behoeftigen eischen , dat van het hun toekomend , betrekkelijk nog te bekrompen , terrein g-een duim breed worde afgenomen.

Wij stippen hier nog bij aan , dat het Victoria-park in 1 842 voor het publiek toegankelijk werd gesteld , maar eerst sedert 1857 op eenige schoonheid is kunnen beginnen te bogen. De oproeping in het Gardener's Magazine eindigt met deze kernachtige woorden : » If the people are resolute they can defend themselves , and if they are not the park must go ; for the governing classes of this country are strangers alike to the justice and generosity needed to bring about a sufficiënt opposition to stay the wrong that is intended to perpetrate in the East End of London."

[

J-!)

N 1

$

PRUNUS SUBHIRTELLUS M IQ

T. BESCHRIJVINGEN" VAN AFGEBEELDE PLANTEN.

PRUNUS (CERASUS) SUBHIRTELLA uw

P. mbhirtella Miq. (Annales Musei botanici Lugduno-Batavi, T. II, p. 91. Cerasus pendula Sieb. Catal. 1867). Ramuli juniores petioli et folia subtus in nervis supra in costa et juxta margines hirtello-pubes- centia ; folia ovata aeuminata vel demum elliptica , cum acumine argute hie illie subduplicato-serrata , subtus non glabrescentia , basi 2 1-vel non glandolosa ; gemmae florales ex axillis nudis anni praeteriti , 3 4- florae ; flores longiuscule pedunculati , pedunculis tenuibus cum calyce patulc birtellis ; calycis tubus ellipsoideus apice constrietus lobis sub- serrulatis vix longior ; petala obovata apiee emarginata ; stamina petalis multo breviora ; drupa immatura ellipsoideo-globosa.

Species characteribus satis csscntialibus distineta , prope Pr. japonicam Thunb. tarnen collocanda. Rami alii validiores obtusanguli , cortice atrofusco nitido , floriferis et foliiferis ramulis instructi , alii tenuio- res, ramulos parvifolios exserentes. Petioli 2 4 lin. longi , antice canaliculati , eglandulosi. Folia niajora vulgo 3 poll. longa vel minora , costulis utrinque cii-citer 10 demum subtus prominentibus instructa trans- verseque venosa. Stipiilae longae lineares , praesertim inferne inciso- glanduloso-seiTatae. Gemmae floriferae ex axillis veteribus, perulis prae- sertim exterioribus ovato-vel obovato-rotundatis crassis atro-fuseis , in- terioribus scariosis pilosulis ; pedunculi fere bipollicares. Calycis extus villosuli tubus lineam aequans cum lobis oblongo-ovatis sed pallidius rubro- purpurascens. Petala 4 5 lin. longa. Stamina cum stylo petalis triplo breviora , inaequilonga , antherarum loculis subglobosis. Drupa immatura pedunculo piloso insidens , ipsa praeter apicem parce pilo- sulum glabra , ellipsoideo-globosa , grani piperis mole. Species in Japonia probabiiiter indigena , Itoo sahura , Hisakura , Sasaio dicta.

De Kers, hiernevens afgebeeld naar bloeiende exemplaren uit de kweekerij van wijlen Jhr. von Siebold , bij Leiden , komt in den catalogus dier inrichting van 1867 (blz. 19) voor onder den naam van Cerasus pendula von Sieb. De

PRUNUS (CEKASUS) SÜBHIRTELLA.

Heer Miquel echter beschreef haar in zijne Annales Mu&ei bot. Luf/duno-botavi (Deel II, p. 91), naar exemplaren uit de herbaria van v. Siiïrold en Burger, als Primus stibhir- tella. De keuze ttfsschen heide namen kon niet twijfel- achtig zijn , daar het in de wetenschap als regel geldt , dat de naam , aan eeue nieuw ontdekte plant gegeven , slechts dan voor volgende kruidkundigen verbindend is , als hij door eene beschrijving gevolgd wordt. Dit nu was met den naam van v. SiEBOLn niet het geval, maar wel met die van den Heer Miquel.

Volgens de inlichting-en van den Heer Mater , tuinman aan de kweekerij van wijlen Jhr. v, Siebold, werd P. sub- hirtella voor het eerst in 1862 levend uit Japan in die in- richting ontvangen , en moet zij dus als door v. Siebold in- gevoerd beschouwd worden. Tot op heden kwam zij niet in den handel.

Onze plant bloeit vroeg' in het voorjaar, te gelijk met Cydonia japonica , en kan als zoodanig voor tuinen sterk wor- den aanbevolen. Zij heeft overhangende takken en rozeroode bloemen. Bloemisten zouden ze , tot het vervaardigen van bouquetten , reeds in Januari in bloei kunnen breng'en.

.-

II. WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN.

,

GESCHIEDKUNDIGE AANTEEKENINGEN OMTRENT HET GESLACHT FUCHSIA.

bekende Fuchsia anderen werden toegevoegd. Eerst in 1820 kwam hierin , door de nieuwe ontdekkingsreizen naar het westen van Amerika , verandering , en sedert kan men zeg- gen , dat het aantal soorten van bovengenoemd geslacht ge- stadig en in geene geringe mate is toegenomen.

Wij ontleenen deze aanteekeningen aan de Hamburger darten- und Blumenzeitung , 1866, p. 433 eu aan de pen des Heeren Oscar Teichert.

De franciskaner monnik Charles Plxjmier (volgens Wil-